De dichter loopt weg van zijn produkten als een hond van uitwerpselen

Dichter, schrijver en Poetry-deelnemer Benno Barnard is aanwezig op het dichtersfestival Poetry International in Rotterdam en doet om de dag verslag van zijn indrukken.

In de dakfoyer van de Doelen, waar men kan genieten van een uitzicht vol Holiday Inn, opent professor Dirk de Geest uit Leuven het vertaalproject van Poetry International met een uiteenzetting over de 'poëtica' van Hugo Claus, in wiens gedicht De sporen een stuk of vijfentwintig dichters straks hun tanden zullen zetten.

De Meester zelf heeft een masker uit zijn aan de Stoa en het Romeinse Keizerrijk gewijde verzameling opgezet. Om maar eens te pronken met mijn connecties: Ja ik ken Claus wel, hij woont bij mij in Antwerpen om de hoek, en in het parkje om de andere hoek speelt hij geregeld pétanque. Afgelopen zondag vond het kampioenschap plaats van zijn acht leden tellende vereniging La boule panguée en Hugo wint gaarne spelletjes. Als hij in mijn richting kijkt, til ik een imaginaire beker op - hij schudt een mistroostig-imperiale kop, grijnst even.

Ook poëzie is een spelletje.

Na het exposé van de geleerde leest Claus het gedicht voor en licht het vervolgens regel voor regel toe. Daarbij speelt hij dat hij zichzelf niet au sérieux neemt, wat zijn elegante manier is om zichzelf au sérieux te nemen. Zo verklaart hij in vloeiend Engels en nog vloeiender Frans helaas geen vreemde talen machtig te zijn (ik, die een lichte allergie voor het anglokoeterwaals van internationale bijeenkomsten heb ontwikkeld, vind dat een verrukkelijke opmerking).

Laat ik het begin van De sporen overschrijven en proberen het verslag van Claus daarop te reconstrueren:

DE SPOREN

van wie struikelde over zijn koffer

van blindeman en de kat in de boom

van haar naam in de sneeuw

De sporen

van het leven dat geen kunstwerk kon zijn

van te bezig

en ineens gevlekte handen

en dezelfde week de gekneusde alvleesklier

Zo gaat het gedicht nog enige tijd verder, maar voor veel poëzie is hier geen ruimte. In elk geval: die eerste regel doet Claus aan Laurel en Hardy denken, en die koffer, wel, die koffer... geen wonder dat een 'blindeman' struikelt over het voorwerp dat al zijn verlangens symboliseert, en ook is het logisch dat hij dat 'feliene zinnebeeld van het levensraadsel' niet zomaar op zijn schoot kan gaan zitten aaien...

De 'blindeman' is voorts de hoofdpersoon uit een kinderspelletje (dat Claus vroeger ongetwijfeld vaak won), maar natuurlijk ook koning Oedipoes - dit was de scherpzinnige professor niet ontgaan. Claus zelf wijst erop dat hij een Gentse bewerking van Sophocles heeft gemaakt die eveneens Blindeman heet. (Ik herinner me van dat stuk vooral een actrice in een gul uitgesnedenn gewaad, die aan Oedipoes vroeg: 'Meneer, mag ik met u mee?' Nee, antwoordde de ongelukkige vorst, maar hij was nu ook weer niet zo stekeblind of hij voegde er na een broeierige stilte aan toe: 'Ge hebt ne schone decolleté...')

'Hoe schrijf je de naam van een vrouw in de sneeuw,' vraagt Claus bij de laatste regel van de eerste strofe. 'Dat doe je met behulp van een van je vitale organen.'

De tweede strofe spreekt geheel voor zichzelf, meent de dichter. Maar een deelnemer met veel zin voor ontleedkunde wil weten hoe een pancreas 'gekneusd' kan zijn. 'Dat komt,' zegt Claus, 'doordat ik niets van anatomie afweet.' Keizerlijk glimlachje.

De derde stofe, de vierde, de vijfde...

De Macedonische reus Bogomil Gjuzel informeert naar de betekenis van 'de schildpad aan scherven geschoten' in de zevende strofe. Omdat de zesde over de oorlog ging, zien de slimmeren onder ons in die schildpad een soldatenhelm, maar Claus, beminnelijk, superieur, zegt: “Dat ben ik vergeten. Geen idee. U moet rekenen dat ik altijd van mijn eigen produkten wegloop, als een hond van zijn uitwerpselen...”