Zuidafrikanen tonen de noodzaak van blijmoedigheid

Voorstelling: Cry the Beloved Country, door The Victory Sonqoba Company. Tekst en regie: Bongani Linda. Spel: Ntombizodwa Julia Radebe, Maklodi Faith Nape, Zodwa Magdalen Nkosi e.a. Techniek: Henk de Haas. Gezien: 18/6 Theater Frascati, Amsterdam. Nog te zien op 22 en 23/6, Buitenpodium Nesplein (voor De Brakke Grond), aanvang 23 uur.

De Victory Sonqoba Company is een straatarme theatergroep. En al parelt er menige zweetdruppel tijdens het optreden, de Company houdt er geen cent aan over. In hun eigen land, Zuid-Afrika, reizen deze acteurs per gammele bus van township naar township, waar ze gratis spelen voor mensen die net zo zijn als zijzelf: zwart, ongeschoold en getekend door het alledaagse geweld.

Vlak voor de verkiezingen werd de Company-bus aangereden door leden van de Afrikaner Weerstandsbeweging. De bus kantelde en twee acteurs kwamen om het leven. Maar ook nu, in de jonge democratie, is voor velen de kans op een gewelddadige dood nog groot. En dat moet veranderen, vinden de spelers van de Victory Sonqoba Company. Ze zijn tussen de achttien en de drieëntwintig en ze komen allemaal, net als hun 28-jarige regisseur Bongani Linda, uit de sloppenwijk Alexandra bij Johannesburg. Sommigen spreken van huis uit Zulu, anderen Xhosa of weer een andere taal. Het zijn verschillen die eens aanleiding gaven tot verbitterde straatgevechten maar die nu, althans in het theater, eendracht smeden, door de gezamenlijk in stand gehouden hoop op verzoening.

Op de cynische westerse cultuurconsument maakt de blijmoedigheid van dit dozijn dansende, zingende en lenig rondspringende jongeren aanvankelijk een nogal naïeve indruk. Totdat je beseft dat alleen lieden in veilige omstandigheden zich de luxe van ongebreideld pessimisme kunnen veroorloven terwijl de hoogste nood juist de grootste optimisten voortbrengt. En zodra langs de roestige plaatstalen decorstukken de kogels voorbijsuizen begrijp je wát er hier met zoveel misbaar bezworen moet worden.

Dit vuurwerk, hoe spectaculair ook, amuseert niet. We krimpen eerder ineen, tegelijk met de personages, die ijlings dekking zoeken. Er gaat een huivering door de zaal wanneer een jongen een met benzine overgoten autoband om de nek van een andere jongen hangt en vervolgens zijn aansteker te voorschijn haalt.

Het spel schiet heen en weer tussen fel realisme en soap-achtig melodrama en steeds is er dat ritmische, nu eens onderkoelde, dan weer klaaglijke gezang dat de taalbarrière overbrugt: de acteurs spreken Engels met een Afrikaans accent. Ze vertellen een verhaal over de politieke verdeeldheid in een gezin. Een van de zonen is aanhanger van de Inkatha-beweging terwijl een andere zoon met het ANC sympathiseert. De ene zoon wil zijn moeder vermoorden, de ander zijn vader, omdat beiden hun ouders ervan beschuldigen aan de kant van de vijand te staan.

Bongani Linda, die zelf de tekst schreef, baseerde zijn verhaal op berichten uit het dagelijkse Zuidafrikaanse nieuws. Hij probeert de wortels van het geweld bloot te leggen zonder schuldigen aan te wijzen. In zijn ogen zijn alle sloppenwijkjongeren slachtoffers: politici, zo suggereert zijn Company, gebruiken onwetende kinderen ter vergroting van hun eigen macht.