Was men bekend met de watermeloen?

Als dr. René van Royen, docent oude geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, de collegezaal binnenloopt hebben zijn studenten het Asterix-album dat dit college wordt behandeld reeds opengeslagen voor zich liggen.

De vijftien leergierige historici, archeologen en classici in wording buigen zich hedenmiddag over een interessante, maar vrij gecompliceerde passage uit Asterix en de Olympische Spelen. Van Royen gaat zijn studenten voor in de interpretatie als een ware exegeet en vraagt aandacht voor bladzijde 25, plaatje zes. Van Royen: 'We bevinden ons thans op de Akropolis in Athene, die door de delegatie uit het Gallische dorp bij wijze van toeristische attractie wordt bezocht op doorreis naar Olympia. De weergave van de tempelgebouwen klopt aardig met de situatie rond 50 voor Christus, de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. Let echter op het grote standbeeld op plaatje zes. Dit is het beroemde, met goud en ivoor ingelegde beeld van Athena Parthenos. In werkelijkheid stond dit beeld niet buiten, maar binnen in de grote tempel die bijgevolg het Parthenon wordt genoemd.' De studenten zitten ijverig te schrijven. Ze moeten immers precies weten welke stripplaatjes wel en welke niet overeenstemmen met de historische realiteit van de Romeinse Republiek onder Julius Caesar. Tijdens het tentamen Asterix-studies zullen ze daar door Van Royen vlijmscherp op worden aangesproken.

Plaat zeven op bladzijde 26 is eveneens van groot belang, zo maakt Van Royen duidelijk. Hierop zien we de stoet Galliërs beladen met souvenirs uit Athene op weg gaan naar Olympia. Van Royen dwingt zijn studenten tot een minutieuze analyse van de tekening. 'Kijk naar het beeldje van de mooie vrouw dat de oude Nestorix meeneemt. De kruik water zou ze op het hoofd moeten dragen en niet op de schouder. Dorpshoofd Abraracourcix draagt een miniatuur-uitvoering van het Parthenon. Dit lijkt me bedoeld als een anachronistisch grapje. Maar uit antieke bronnen weten we dat er in de oudheid wel degelijk een souvenir-industrie bestond. In Efese waren smeden die leefden van het maken van miniatuurtjes van het grote Artemis-beeld uit de tempel daar.'

Plaat acht van de dinerende Galliërs noopt een meisje tot de vraag of de tafels in de oudheid ook in werkelijkheid werden bedekt met kleden. Van Royen: 'Nee, maar de hele presentatie van het zitten op bankjes en aan tafels is een anachronisme. In de oudheid at men liggend, waarbij het eten werd uitgeserveerd op bijzettafeltjes.' Op de vraag of men in 50 voor Christus reeds bekend was met de watermeloen moet Van Royen het antwoord schuldig blijven.

Het college Asterix-studies nadert het eind van zijn eerste trimester. In 12 colleges werden onder meer de albums Het geschenk van Caesar (volgens Van Royen 'een fraaie sociologische analyse') en 'de Olympische Spelen' behandeld. Een voldoende voor het tentamen is goed voor zeven studiepunten ofwel zeven weken werk. De belangstelling, niet alleen van reguliere studenten, maar ook van 'losse' cursisten, was zo groot dat Van Royen twee groepen moest formeren van elk zo'n 20 man. Het lijkt bijna zeker dat het college na de zomer wordt voortgezet.

Volgens Van Royen bieden de Asterix-albums een unieke mogelijkheid om aspecten van de oude geschiedenis te behandelen die elders nimmer aan de orde zouden komen. De oudhistoricus: 'Het gedrag van een leger tijdens een stortbui, de humeuren van legioensoldaten, de belevingswereld van een gladiator, de houding van slaven jegens Caesar: allemaal interessante vragen die alleen bij dit college spelen. Een belangrijk effect van de strip hierbij is dat de studenten zich snel en makkelijk kunnen inleven in de karakters. Waarom zou je gecompliceerde en gortdroge teksten over kookpotten moeten bestuderen, als je de studenten via Asterix ook duidelijk kunt maken hoe in de oudheid een maaltijd werd bereid? Leuk en aanschouwelijk onderwijs, daar gaat het mij om.'

Student Herman Kruithof (23, geschiedenis) vond het college in het begin een rommeltje, maar is nu zeer content. Kruithof: 'Een totaal andere benadering van het vak, ja, dat spreekt me aan. Moeilijk is het allemaal niet. Eigenlijk is het college een eitje. Maar geldt dat niet voor het hele vak geschiedenis?' Geke Luiken (74, in 1947 afgestudeerd in de politieke wetenschappen) vindt het college 'enig'. Ze citeert lustig uit de diverse albums (in het Frans, uiteraard) en verklaart dat ze de benadering van Van Royen 'een verademing' vindt vergeleken met 'al dat serieuze Plato-gedoe' van de classici.

Volgens Van Royen waren de reacties op de universteit en vanuit de gezeten wetenschap uitsluitend positief. Ook zijn 'baas', prof. P. Sijpesteijn, toonde zich enthousiast. Van Royen: 'Ik voel me absoluut niet aangesproken door mensen die dit college zien als verloedering van het academisch niveau. Het is voor mij buitengewoon arbeidsintensief. Ga maar na: ik moet voor volgende week wel even uitzoeken hoe het precies zit met de watermeloen in de oudheid. Dat is nog een hele klus'