Tijd of geld

DE NEDERLANDSE OVERHEID telt een bescheiden aantal rijksambtenaren. Met 112.000 ambtenaren op de ministeries wordt het nationale beleid gestalte gegeven. Dat is, ook in internationale vergelijking, niet veel. De grote aantallen werknemers die uit de collectieve middelen worden betaald, bevinden zich in Nederland bij de lagere overheden, bij het brede middenveld van de gesubsidieerde sector, de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. De gemeente Amsterdam, bijvoorbeeld, telt al 30.000 ambtenaren. Door verzelfstandiging en afstoting van taken is de rijksoverheid behoorlijk afgeslankt.

In de tweejarige CAO die minister Dijkstal (binnenlandse zaken) gisteren heeft afgesloten met de vakbonden, wordt de afslanking voortgezet. Korter werken en beperkte invulling van de vrijvallende plaatsen zullen leiden tot een verdere afname van het aantal rijksambtenaren. Het is de vraag of daaraan een rationele afweging van de overheidstaken ten grondslag ligt. Dat is vrijwel zeker niet het geval. De minister moest de bezuiniging invullen die in het regeerakkoord is vastgelegd - in totaal anderhalf miljard gulden op de salariskosten van alle ambtenaren - en de vakbonden zochten iets moois terwijl duidelijk was dat substantiële salarisverhogingen uitgesloten waren door het slot op de schatkist.

De voor de hand ligende oplossing heet vrije tijd. Vanaf 1997 gaan rijksambtenaren twee uur in de week minder werken. Door grotere flexibiliteit in de invulling van de arbeidsuren kunnen ze een dag in de week vrij nemen of sparen voor een lang verlof. Materieel gaan ze er in de twee jaar van de CAO op achteruit. Voor ambtenaren die lange werkweken maken is dit geen aantrekkelijk vooruitzicht. Het verschil met het bedrijfsleven, waar lange werktijden beter worden beloond, loopt dan nog verder op. Dat komt de kwaliteit van de rijksoverheid, juist op die posten waar toegewijde inzet van ambtenaren gevraagd wordt, niet ten goede.

DE CAO-AFSPRAAK past naar het zich laat aanzien binnen de uitgavennorm van het regeerakkoord. In financiële zin hebben de bonden zich gematigd opgesteld, in de wetenschap dat het regeerakkoord altijd politiek kan worden afgedwongen en dat ze dan met lege handen zouden staan. Maar aan de vakbondswens voor een kortere werkweek is de erkenning opgeofferd dat ook bij de rijksoverheid steeds grotere verschillen in werkdruk bestaan. Een afweging van taken is niet gemaakt. Geld is collectief ingeruild voor vrije tijd.