Technologische vernieuwing is essentieel voor werkgelegenheid

In de informatiesector wil Nederland qua economische groei en werkgelegenheid tot de koplopers in Europa behoren. Dat schrijven de ministers Wijers, Ritzen en Van Aartsen in Kennis in beweging, de nota over technologiebeleid die morgen wordt gepresenteerd. De omzet op de multi-mediamarkt zal in vier jaar het negenvoudige zijn van die in 1994, zo wordt voorspeld. Technologische vernieuwing is essentieel voor de toekomstige werkgelegenheid. “Er liggen nog genoeg nieuwe banen te wachten”.

Onder druk van toenemende concurrentie, mondialisering en informatisering van de economie is het Nederlandse bedrijfsleven zich in rap tempo aan het vernieuwen. Op het eerste gezicht kost dat veel banen. Het chemieconcern DSM schrapte vorig jaar ruim duizend arbeidsplaatsen om de vaste kosten te drukken. Sinds 1989 verdwenen bij DSM al tienduizend banen. Afslanking door uitbesteding, luidt het motto hier.

Bij Océ-van der Grinten, fabrikant van kopieerapparaten, printers en plotters, vervielen begin jaren negentig op het hoofdkantoor 250 en internationaal 600 indirecte functies. Océ ontwikkelt zich van een organisatie die werkgelegenheid biedt, tot 'een organisatie die organiseert'. Ook Batavus, IHC Holland, Stork en andere middelgrote producenten van uiteenlopende produkten ontwikkelen zich in de richting van de 'holle onderneming', die alle produktie uitbesteedt en zich alleen nog maar bezig houdt met produktontwerp, marketing en sturing van alle andere activiteiten in de keten van toeleveranciers.

Toen DAF na het faillissement in 1993 als een Phoenix uit de as herrees, werd de organisatie meteen volgens de nieuwste organisatorische inzichten ingericht. Minder vaste arbeidskrachten zorgen nu voor meer omzet dan ooit tevoren. “Vroeger ontwikkelde iedereen zijn produkten nog zelf”, schetst president-directeur Cor Baan de ontwikkeling. “Maar de door ons gebruikte technologieën zijn zo divers dat zoiets niet meer mogelijk is. We bekijken nu met een flexibele geest of ergens ter wereld al is ontdekt wat wij willen. Het is niet nodig dat wij hele remsystemen zelf ontwikkelen als iemand anders dat al heeft gedaan.”

Een kwart van de toegevoegde waarde levert DAF nog zelf, de rest wordt ingekocht. In de jaren van wederopbouw na de tweede wereldoorlog was die verhouding bij DAF en vergelijkbare producenten nog omgekeerd. Waar Océ groepen van toeleveranciers (clusters) om zich heen verzamelt om samen met hen technologische vernieuwingen te bedenken en uit te werken (co-development), heeft bij DAF de regie nog geheel vanuit Eindhoven plaats. Aan de toeleveranciers (main-suppliers en co-makers) worden hoge eisen gesteld. Ze moeten over voldoende eigen ontwikkelingscapaciteit beschikken, innovatief, creatief en flexibel zijn, hoge kwaliteit bieden en op tijd leveren. Door directe levering aan de montagelijn worden de voorraden en de kosten ervan (beslag op kapitaal, ruimte) lager. Daarbij wordt gebruik gemaakt van Electronic Data Interchange (EDI), ofwel elektronische gegevensuitwisseling. “Als een monteur een onderdeel nodig heeft, dan drukt hij bij wijze van spreken op een knop en dan wordt het automatisch besteld”, zegt Baan. Er worden door DAF uitsluitend nog voertuigen gebouwd die al verkocht zijn (build-to-order).

Onderzoeker Ben Dankbaar van het Maastricht Economic Research Institute on Innovation and Technology (MERIT) in Maastricht schreef een interessant boekje (In het net, communicatie via elektronische netwerken) over dit model van de 21ste eeuw: flexibele produktie in netwerken van kleine zelfstandig opererende bedrijven, die vaak onderdeel zijn of blijven van grote concerns. “Wij doen nog te veel zelf”, zegt Cor Baan, terwijl hij een rondleiding geeft door de fabriek. Het gaat DAF weer voor de wind. Het personeelsbestand is sinds de wedergeboorte in maart 1993 toegenomen van 3.500 tot 4.650 medewerkers. De omzet groeide in 1994 met 74 procent en ook nu draait de fabriek op volle toeren. 's Avonds worden er door een halve ploeg extra uren gedraaid. Tijdens de bedrijfsvakantie wordt de produktielijn verlengd en wordt een automatische lakstraat geïnstalleerd. Dan kunnen acht (middel)zware bedrijfswagens per uur worden afgemonteerd tegen zes nu. Als er door de werknemers 9 uur per dag wordt gewerkt, kunnen per dag 72 bedrijfswagens worden geproduceerd. Met de vakbonden zijn afspraken gemaakt over een 36-urige werkweek. Daarbij kan minimaal 3 x 9 uur en maximaal 5 x 9 uur per week worden gewerkt. Flexibilisering van het systeem van arbeidstijden was en is een van de belangrijkste onderwerpen van gesprek met de ondernemingsraad en de werknemersorganisaties. “Mee-ademen met de markt”, is het devies van DAF en andere ondernemingen in zowel industrie als dienstverlening. Ongeveer 14 procent van het totaal aantal medewerkers heeft een tijdelijk dienstverband. “We streven ernaar om dat percentage te verhogen”, zegt Baan.

Wat bij de grotere bedrijven door uitbesteding aan vaste werkgelegenheid verdwijnt of niet tot stand komt, kan worden gecompenseerd door banengroei bij toeleveranciers (waaronder detacheringsbedrijven en uitzendbureau's). Hoe de werkgelegenheid zich per saldo in de toekomst ontwikkelt, zal door de hierboven geschetste complexe ontwikkelingen worden bepaald. Met zekerheid valt alleen iets over het verleden te zeggen. En dan nog alleen voor zover de onvolmaakte statistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat toelaten. Maken we de balans op van de jaren negentig tot dusverre, dan constateren we dat er volgens het CBS tussen 31 december 1989 en 1 januari 1995 in Nederland 302.000 banen voor werknemers zijn bijgekomen. Dit is het saldo van uiteenlopende ontwikkelingen. In de industrie gingen er 86.000 banen verloren; in de handel, het hotel- en restaurantwezen kwamen er bij elkaar 157.000 banen bij. Splitsen we deze cijfers uit naar de 62 economische activiteiten die het CBS onderscheidt, dan concluderen we dat het openbaar bestuur, defensie en andere ambtelijke diensten met een vermindering van 28.000 banen de grootste verliezer waren, gevolgd door de elektrotechnische industrie (minus 23.000). De zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbedrijven) is met 81.000 banen erbij tot nu toe de grote winnaar van de jaren '90, gevolgd door de detailhandel (in totaal 69.000 banen erbij), gezondheidsdiensten (plus 66.000) en hotels, restaurants, café's (plus 53.000). De werkgelegenheid groeit kennelijk bij de kennisextensieve bedrijfstakken.

Of dat voor de toekomst voldoende soelaas biedt kan worden betwijfeld. Volgens een studie van het European Economic Research and Advisory Consortium uit 1994 zal de produktiegroei in de landen van de Europese Unie voor de periode 1992-1998 juist vooral plaatsvinden bij de hoogwaardiger kennisintensieve activiteiten. Zo wordt een gemiddelde groei van 9,2 procent per jaar verwacht in de sector software- en computerdiensten, zal de produktie van halfgeleiders naar verwachting met 8,8 procent per jaar toenemen, de zakelijke dienstverlening met gemiddeld 5,5 procent per jaar en de (tele)communicatie met 5,1 procent. Over het algemeen sectoren die je niet zo gauw met Nederland associeert.

Nederland is vooral sterk in medium-techsectoren, zoals chemie (verwachte groei 2,5 procent per jaar) en low techsectoren zoals de voedings- en genotmiddelen (verwachte groei 1,3 procent per jaar) en de handel (1,9 procent). Om een graantje mee te kunnen pikken van de verwachte groei in de Europese Unie zal de Nederlandse economie dus kennisintensiever moeten worden, zo constateren zowel de economen van de Sociaal Economische Raad (SER) in hun rapport Kennis en economie uit april '95 als de bewindslieden Wijers, Ritzen en Van Aartsen in de morgen gepresenteerde nota Kennis in beweging. De drie technologie-musketiers van het kabinet-Kok vragen vooral aandacht voor de multi-mediamarkt. Die zal volgens Wijers c.s. in 1998 ongeveer het negenvoudige zijn van de omzet in 1994. Ook voor de werkgelegenheid zijn de verwachtingen hooggespannen. Tot 2000 zullen er in de audiovisuele sector ongeveer 2,2 miljoen banen bijkomen in Europa, schrijven de drie ministers. De informatiesector groeit volgens hen uit tot “een belangrijke slagader van de mondiale economie”. “De noodzakelijke omslag naar grotere kennisintensiteit van de economie gaat daarom hand in hand met de hoogst mogelijke ambities op het terrein van de informatie-infrastructuur”.

Wijers c.s. zien de toekomst zonnig tegemoet. “Nederland heeft een aantal grote internationale informatietechnologie- en telecombedrijven (Philips, KPN, red.) binnen de grenzen. Verder zijn er innovatieve software- en telematica bedrijven en heeft ons land een hoge kabeldichtheid”. Maar er zijn ook zwakke plekken, zo constateren de drie bewindslieden. Zo is er nog onvoldoende toegang tot de telecommunicatie- en mediamarkten voor nieuwe aanbieders van diensten. “Met name in de informatiesector wil Nederland qua economische groei en werkgelegenheid tot de koplopers in Europa behoren”, schrijven Wijers, Ritzen en Van Aartsen. Veel van de maatregelen zijn daarop afgestemd. Zo zal de marktwerking in de media- en telecomsector worden vergroot en wordt een budget van 70 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor de stimulering van de ontwikkeling en het gebruik van elektronische snelwegen.

In de nota wordt veel aandacht geschonken aan het midden- en kleinbedrijf. Het is vooral het tekort aan kleine slimme bedrijven dat Nederland kwetsbaar maakt. Tussen 1988 en 1992 is het aantal bedrijven dat onderzoek en ontwikkeling verricht fors gedaald van 6600 naar 4300. Hoewel research & development (R&D) niet alles zegt (kennis kun je ook kopen), maken Wijers c.s. zich ernstig zorgen over deze 'smalle R&D basis'. Een offensieve aanvalsstrategie, gericht op innovatie, is volgens Wijers c.s. van levensbelang voor de Nederlandse economie. Technologische vernieuwing is volgens de bewindslieden essentieel voor een belangrijk deel van onze welvaart en ook voor onze huidige en toekomstige werkgelegenheid.

Technologie is meer dan techniek alleen. Ook het efficiënter maken van het produktieproces, kwaliteitsverbetering van goederen of diensten en een slim marketingconcept dragen bij aan de technologische vernieuwing. In de nota Kennis in beweging worden McDonalds, Swatch, CNN en Ikea genoemd als lichtende voorbeelden van bedrijven die grote marktaandelen hebben veroverd met slimme marketingconcepten. In Nederland spelen de achttien door Economische Zaken gesubsidieerde Innovatiecentra een cruciale rol bij de kennisoverdracht naar en netwerkvorming van het midden- en kleinbedrijf (MKB). Door zich te ontwikkelen van jobber (eenvoudige toeleverancier, die precies op specificatie aanlevert) tot co-maker (toeleverancier die al in een vroeg stadium betrokken wordt bij de ontwikkeling van nieuwe produkten) of main-supplier (directe leverancier van compleet gemonteerde, complexe onderdelen) kunnen hogere winstmarges worden bedongen en hebben de betreffende toeleveranciers een betere overlevingskans in de steeds meedogenlozer wordende concurrentiestrijd. De Innovatiecentra spelen bij deze upgrading van het MKB een belangrijke rol.

Volgens directeur Coen Geenen van het overkoepelende centraal kantoor Innovatiecentra Netwerk Nederland in Den Haag, staat Nederland bij een aantal economische activiteiten voor een wissel naar de toekomst. Doen we die activiteiten nog langer, of houden we ermee op? Dat is de vraag die met ja of nee kan worden beantwoord. Geenen: “Neem de asperges, waar laatst zoveel over te doen was. Die sector kun je met zwart werkende Polen nog even overeind proberen te houden, maar je kunt ook beter gebruik proberen te maken van de inzichten van de moderne besturingskunde. Waarom zou er geen aspergesteekmachine kunnen worden ontwikkeld? Zoiets is vooral een kwestie van organisatie. Overheid, werkgevers, verschaffers van durfkapitaal en machinefabrieken zullen de handen ineen moeten slaan. Iemand zal daartoe het initiatief moeten nemen. Doe je dat niet, dan zullen er over vijf of tien jaar geen asperges meer uit Nederland komen.” Een soortgelijke opmerking kan gemaakt worden ten aanzien van de andere sectoren waarin Nederland traditioneel sterk is, maar dreigt te worden weggeconcurreerd door producenten in lage lonen-landen. Het gaat er hierbij volgens Geenen niet zozeer om goedkoper te produceren (“Die slag winnen we nooit”), maar nieuwe produkten te bedenken.

Door gebruik te maken van de nieuwste technologieën kan het verminderen van werkgelegenheid in bedrijfstakken als de tuinbouw, de voedings- en genotmiddelenindustrie en de chemie volgens Geenen worden geremd. Veel uitbreiding van werkgelegenheid verwacht Geenen daar echter niet. Die ziet hij eerder ontstaan in de sectoren van het vermaak en het welzijn. “Met robots kunnen we welvaart in stand houden of vergroten”, zegt hij. “Die welvaart kunnen we vervolgens gebruiken voor de creatie van banen in de sfeer van het entertainment, de vakantieindustrie, de kunsten, het ouderen- en gehandicaptenbeleid.” Door het inzetten van de nieuwste technologie kan het leven voor ouderen en gehandicapten worden vergemakkelijkt. In de toekomst zal daar door de vergrijzing een steeds grotere behoefte aan komen. Nu is de meerderheid van de kiezers en consumenten nog lid van het geldverdienende, werkende deel van de bevolkingsgroep, betoogt Geenen. Over twintig tot dertig jaar zal de meerderheid van de bevolking bestaan uit inactieven. “Het thema voor de toekomst zal eerder technologie en welvaart c.q. welzijn, dan technologie en werk zijn”, voorziet Geenen.

Ook president-directeur Baan van DAF is pessimistisch als het gaat om uitbreiding van werkgelegenheid in traditionele economische sectoren. “De produktiviteit neemt zowel in de industrie als de dienstverlening geweldig toe”, zegt Baan. “Goederenstromen verlopen steeds efficiënter. Als u bij Albert Heijn een pak melk haalt gaat er bij wijze van spreken meteen een elektronische instructie uit om dat pak aan te vullen. Creativiteit wordt gebundeld. Alles moet steeds beter en sneller. Kantoren worden kleiner. De hele papierwinkel aan facturen wordt vervangen door communicatie tussen computerschermpjes. Aan het ontwerp van een vrachtauto komt straks geen tekening meer te pas. Tijdschriften verschijnen op CD-Rom.” De grootste potentie aan nieuwe banen is ook volgens Baan te vinden in de dienstverlening: de bevordering van de kwaliteit van het leven voor een groeiende groep van welvarende consumenten. Baan: “Op het gebied van service- en dienstverlening kunnen we nog een hoop van de Amerikanen leren. Daar liggen nog genoeg nieuwe banen te wachten”.