Stem deelname aan acties VN af op nationaal belang

De ervaringen in Bosnië dwingen ook tot heroverweging van Nederlandse deelneming aan vredesoperaties in het kader van de Verenigde Naties, vindt Theo van den Doel. Het nationale belang, een helder doel en een beperkte duur moeten daarbij voorop staan.

De Brit Charles Dobbie zette onlangs op deze pagina nog eens uiteen aan welke eisen vredesoperaties moeten voldoen, willen deze een kans van slagen hebben (NRC Handelsblad, 8 juni). Zowel de klassieke vredesoperaties als humanitaire operaties zijn onverenigbaar met het gebruik van geweld, zo stelde hij terecht.

In Bosnië wordt deze 'gulden peace-keepers regel' al drie jaar lang met voeten getreden, met alle ernstige gevolgen van dien. De vraag ligt dan ook voor de hand welke lessen Nederland, zowel politiek als militair, uit het debâcle in Bosnië zou moeten trekken.

Begin 1992 presenteerde Boutros Ghali, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, zijn Agenda voor de Vrede. Het moest de blauwdruk vormen voor de nieuwe wereldorde. In het Westen werd door het wegvallen van de 'oude vijand' dit nieuwe gedachtengoed al snel omarmd.

Ook in ons land is de Agenda voor de Vrede van invloed geweest op het defensiebeleid. In 1993 werd in de Prioriteitennota - het beleidsdocument van defensie voor de veranderde wereld - het nieuwe VN-vocabulaire breed uitgemeten. De gehele krijgsmacht zou voortaan voor VN-operaties kunnen worden ingezet. Snelle, flexibele en licht bewapende eenheden waren hiervoor noodzakelijk, zo luidde de conclusie. Grote aantallen genie, artillerie en tanks verdwenen uit de krijgsmacht. Ternauwernood kon de onderzeedienst, ook niet direct een middel geschikt voor peace-keeping, nog worden gered. De blauwdruk voor de nieuwe krijgsmacht werd in belangrijke mate gebaseerd op de ervaringen die waren opgedaan met traditionele vredesoperaties, zonder dat men zich afvroeg op welke wijze toekomstige conflicten zouden moeten worden beslecht.

De regel, dat militairen zich doorgaans voorbereiden op de vorige oorlog, wordt ook nog eens in het artikel van Dobbie bevestigd. Immers het zijn níet de theoretische concepten, maar de omstandigheden die dicteren op welke wijze een operatie moet worden uitgevoerd. Het regulerende en dempende effect van de VS en de Sovjet-Unie, zoals dat ten tijde van de Koude Oorlog gold, bestaat niet meer. Wanneer de klassieke grondregels van Dobbie waren gevolgd, zouden de VN dan ook nooit in Somalië, in Rwanda en in Bosnië terecht zijn gekomen. Bij deze operaties gaf wel degelijk de politieke wil tot handelen de doorslag, maar het was too little en too late. Immers, als de wereld verandert, dient ook de internationale gemeenschap haar spelregels aan te passen.

De geloofwaardigheid van de internationale gemeenschap wordt echter niet bepaald door het papieren gewicht van de veiligheidsraadresoluties, maar door de wijze waarop ter plaatse de blauwhelmen inhoud geven aan het verkregen mandaat. Afgezien van de noodzaak van politieke vastbeslotenheid om op te treden, verkrijgt de VN die geloofwaardigheid als de troepen voldoende bewapend en beschermd zijn.

Omdat het verloop van een conflict nu eenmaal niet is te voorspellen, dient de bewapening van VN-troepen, ondanks hun neutrale status, superieur te zijn aan dat van de strijdende partijen. In augustus 1992 stuitte mijn pleidooi hiervoor nog op onbegrip. De praktijk heeft inmiddels de noodzaak ervan aangetoond. Bij toekomstige VN-operaties zal men hiermee dan ook terdege rekening moeten houden. De VN-troepen moeten af van het imago van 'vredessoldaten', die door gebrek aan middelen, speelbal zijn in handen van de conflicterende partijen.

Door het ontbreken van een politieke ordening zal het aantal low-intensity-conflicten de komende jaren alleen maar toenemen. Tijdens de uitvoering van vredesoperaties ligt het gebruik van proportioneel geweld dan ook meer voor de hand dan voorheen. De praktijk tot nu toe wijst uit, dat de VN als bureaucratische organisatie niet geschikt zijn voor het leiden van deze vredesoperaties 'nieuwe stijl'.

Complexe vredesoperaties behoren door een militaire organisatie, dan wel door een coalitie van landen met eenzelfde militaire samenwerkingservaring, te worden geleid. Een dergelijke afweging dient onmiddellijk bij het uitbreken van een conflict te worden gemaakt. Immers, wanneer conflictpreventie faalt en de internationale rechtsorde wordt daadwerkelijk bedreigd, dan dient een conflict vroegtijdig te worden ingedamd. Op die manier moet worden voorkomen dat in een later stadium met meer middelen èn tegen een hogere prijs moet worden opgetreden. Zo'n Rapid Reaction Force komt, zoals de praktijk nu ook aantoont niet uit New York, maar een (middel) grote mogendheid of een groep van eensgezinde landen, bij voorkeur met mandaat van de Veiligheidsraad, zou hiertoe het initiatief moeten nemen.

Naast deze algemene politiek-militaire lessen zijn er op basis van de ervaringen van de afgelopen jaren ook voor Nederland een aantal conclusies te trekken.

Allereerst dient de Nederlandse deelname aan vredesoperaties op het nationaal belang te zijn gebaseerd. Welk specifiek belang dit is, dient per situatie helder te worden gedefinieerd. Hoe groter het belang des te meer risico aanvaardbaar is. Het mag echter niet zo zijn dat louter alleen een verzoek aan Nederland om de internationale rechtsorde te helpen beschermen en de toevallige beschikbaarheid van militaire eenheden, hierin de doorslag geven.

In de tweede plaats moet duidelijk zijn dat inzet van militaire middelen de politieke oplossing van het conflict ook daadwerkelijk naderbij brengt. Militaire middelen zijn geen haarlemmerolie. Nederland moet geen troepen sturen zonder dat daarover duidelijkheid bestaat. Wij zijn geen Europese grootmacht en moeten onze eigen verantwoordelijkheid binnen de juiste proporties blijven zien.

In de derde plaats dient een bijdrage vooraf in de tijd te worden begrensd. Nederland mag geen carte blanche afgeven voor het gebruik door derden van zijn troepen. Elk half jaar dient opnieuw de politieke afweging te worden gemaakt of men de deelname al dan niet wil voortzetten.

In de vierde plaats dient er een breed nationaal draagvlak voor een militaire bijdrage te zijn.

In de vijfde en laatste plaats behoort Nederland - wanneer het een substantiële bijdrage levert - betrokken te worden bij het politiek-militair besluitvormingsproces tijdens de uitvoering van zo'n vredesoperatie. Dat geldt zowel voor de gremia binnen de VN als daar buiten.

Zo'n 20.000 Nederlandse militairen zijn de afgelopen jaren ingezet in vredesoperaties en hebben daarmee veel goed werk verricht. De klassieke vredesoperaties waar de strijdende partijen, moe van al het geweld en veelal om hun eigen gezicht te redden, de VN verwelkomden zijn verleden tijd. De blauwe baret wordt langzamerhand vervangen door een groene helm. Na Somalië, Rwanda en de ontluistering van de VN-troepen in Bosnië is thans, zowel politiek als militair, het moment aangebroken om de balans op te maken en een helder beleid voor de toekomst te formuleren. Dat betekent niet, zoals Dobbie doet, zich uitsluitend vastklampen aan oude uitgangspunten, maar gezien de veranderende wereld juist streven naar een nieuw kader. De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn ons hierin al voorgegaan. Nederland mag hier niet bij achterblijven. Een aanzet daartoe is hiervoor dan ook gegeven.