Sociale positie allochtone vrouwen langzaam sterker

ROTTERDAM, 20 JUNI. Allochtone vrouwen versterken hun positie in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en in hun relaties. Het proces verloopt echter langzaam en stuit bij tijd en wijle op hindernissen. Zo drukken Turkse en Marokkaanse meisjes die naar Nederland komen om te trouwen het gemiddelde opleidingsniveau en daalt het relatief grote aantal abortussen onder Surinaamse en Antilliaanse vrouwen nauwelijks.

Dit schrijft het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) in het vandaag verschenen rapport 'Sociale atlas van de vrouw: allochtone vrouwen'. De onderzoekers B. Hooghiemstra en M. Niphuis baseren hun conclusies onder meer op de Turkse en Marokkaanse meisjes uit de zogenoemde tweede generatie - zij die op jonge leeftijd naar Nederland kwamen. Deze meisjes volgen vaker dan hun moeders onderwijs in Nederland en vergroten zo hun kans op een betaalde baan. Van de huidige generatie volwassen Marokkaanse en Turkse vrouwen heeft respectievelijk tweederde en een kwart nooit een school bezocht. Verder blijkt de tweede generatie steeds vaker voor het algemeen voortgezet onderwijs dan voor het lager beroepsonderwijs te kiezen.

Voor de huidige schoolgaande Surinaamse en Antilliaanse meisjes liggen de zaken anders. De onderzoekers zijn er minder van overtuigd dat hun opleidingsniveau zal stijgen ten opzichte van hun voorgangers. In sommige gevallen daalt dit zelfs. Zo waren de eerste Antilliaanse immigranten vooral hoger opgeleid; de laatste jaren zijn de meesten laag tot zeer laag opgeleid, schrijft het SCP.

In vergelijking met autochtone vrouwen tussen de 15 en 65 jaar hebben weinig Marokkaanse en Turkse vrouwen een betaalde baan: 43 procent van de autochtonen werkt buitenshuis tegen zeven procent van de Marokkaanse en 18 procent van de Turkse vrouwen. Dat zal veranderen als de tweede generatie zijn entree maakt op de arbeidsmarkt, menen de onderzoekers. Aan de allochtone meisjes zal het niet liggen: een ruime meerderheid onder de Antilliaanse (92 procent), Surinaamse (88 procent), Marokkaanse (80 procent) en Turkse meisjes (79 procent) wil later werk en moederschap combineren. Onder autochtonen ligt dit percentage op 75 procent.

Allochtone jongens zijn meer geneigd later de taken in het huishouden te verdelen dan hun autochtone leeftijdgenoten, aldus het SCP. Een woordvoerder wijst op de sterke familieband in Turkse en vooral Marokkaanse gezinnen. “Die jongens zullen later veel met hun kinderen optrekken.” Overigens veranderen Nederlandse jongens later van gedachten - vooral als ze verkering krijgen, aldus de woordvoerder.

De relaties van Surinaamse en Antilliaanse vrouwen verschillen sterk van andere allochtonen in Nederland. Een groot deel van hen draait alleen voor huishouden en inkomen op. Zo is 62 procent van de Antilliaanse vrouwen met thuiswonende kinderen alleenstaand. De geschiedenis en cultuur van deze bevolkingsgroepen heeft gezorgd voor dit 'matrifocale' systeem, schrijven de onderzoekers. Ze halen diverse onderzoeken aan en eindigen met de theorie dat de slavernij vrouwen al vroeg aan het werk dwong, waarna arbeid verricht door vrouwen altijd vanzelfsprekend is gebleven. De mannen trokken in die tijd vaak weg om werk te zoeken. Momenteel is in Nederland 58 procent van de alleenstaande creoolse Surinaamse en Antilliaanse moeders nooit gehuwd geweest, schrijf het SCP. Het overgrote deel leeft van een uitkering. Voor autochtone gezinnen geldt dat een op de tien een éénoudergezin is.

Surinaamse en Antilliaanse vrouwen plegen - voor Nederlandse begrippen - vaak abortus. Uit geschatte cijfers van het SCP blijkt dat in 1988 37 van de 100 bekende zwangerschappen onder Antillianen werden beëindigd, tegen 7 van de 100 onder Nederlanders. Daarbij moet worden aangetekend dat Nederland binnen Europa een bijzonder laag aantal abortussen kent. De oorzaak voor het relatief hoge aantal abortussen onder Surinaamse en Antilliaanse meisjes leggen de onderzoekers bij het taboe rond seksualiteit en de instabiliteit van de relaties die deze vrouwen aangaan. Het SCP pleit dan ook voor betere voorlichting.