Lot van romusha's altijd onderbelicht geweest

Aan het eind van Java, op zijn westpunt aan de kust, lag Poelau Manoek. Een sterk achtergebleven gebied. Nog altijd. “Poelau Manoek werd zeer ernstig gevreesd”, schreef de Indonesische politieke activist, Tan Malaka, in 1948 in zijn autobiografie, Dari pendjara ke pendjara (Van gevangenis naar gevangenis). “Zeer gering was het aantal daar werkzame romusha's (dwangarbeiders) dat niet werd aangetast door dodelijke ziekten als tropenzweren, dysenterie en malaria. Zelden overleefden zij als zij werden aangetast door die ziekten. De romusha's kregen in het algemeen te weinig voedsel, medicijnen waren nog schaarser en zorg voor zieken en gestorvenen werd niet verleend. Op de weg van 5 à 6 km tussen Poelau Manoek en Bajah kon men elke dag romusha's zien vol zweren, zwoegend op de weg naar de markt of een verlaten gebouw, zoals de bioscoop, om zich daar meer te leggen in afwachting van het einde. In alle plaatsen langs de weg tussen Saketi en Djakarta lagen de markten, de wegkant en huiserven vol met levende geraamten in afwachting van de dood. Soms werden bij Bajah meer dan tien mensen in één graf gelegd, door het tekort aan grafdelvers en de algemene onverschilligheid. In de regentijd moesten de opgestapelde lijken worden gelegd in een door water volgelopen graf.”

Malaka's beschrijving van de ellende van de romusha's, de inheemse dwangarbeiders die in de jaren 1942-1945 door de Japanners als slaven werden gebruikt, staat in het boekje 'Wisseling van de wacht' (1995). Daarin gaat het over herinneringen van Indonesiërs aan de Japanse bezettingstijd. Het is een uitgave van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden. De vertalingen in het Nederlands zijn van de hand van Jan van der Putten en Harry Poeze.

Er zijn maar weinig historici geweest die over de Indonesische dwangarbeiders geschreven hebben. En nog veel minder politici die zich hun lot hebben aangetrokken. Tan Malaka, een Sumatraanse dorpsonderwijzer die voor de Eerste Wereldoorlog in Nederland naar de kweekschool was geweest, deed dat wel. Na de Russische revolutie was hij communist geworden en in 1921 voorzitter werd van de PKI, de Communistische Vereniging in Indie, maar niet voor lang, want in 1922 werd hij uit Nederlands-Indië verbannen.

Twintig jaar later, na al die tijd in Nederland, Moskou, China, Thailand, de Filippijnen en Singapore te zijn geweest en opgejaagd, kwam hij in het geheim terug. Wat de romusha's overkwam, zag hij van heel nabij en hij schreef het op. Nederlandse historici hebben aan deze massale dwangarbeid nooit veel aandacht besteed. Meestal ging hun aandacht uit naar wat er in internerings- en krijgsgevangenenkampen met Nederlanders was gebeurd. Voor de geschiedenis van de 'inlanders', zoals de inheemsen door de kolonialen werden genoemd, was nauwelijks belangstelling.

Het Japanse woord 'romusha' betekent gewoonweg 'arbeider' of 'werkman'. In de Tweede Wereldoorlog kreeg het echter een onheilspellende bijbetekenis. Vooral toen de Japanners in de bezette gebieden op grote schaal werklui gingen werven om aan militaire of semi-militaire projecten te werken. Vaak werden deze romusha's heel ver van huis en meestal onder de allerslechtste omstandigheden te werk gesteld. Dwangarbeiders werden ingeschakeld bij de bouw van vliegvelden in Brits-Borneo, Malakka, op de Molukken, op de Andaman-eilanden en in Cambodja en bij de aanleg van spoorlijnen zoals de Birma-Siam-spoorweg en de Pakan Baroe-lijn op Midden-Sumatra. Bij de aanleg van laatstgenoemde spoorweg kwamen meer dan negenduizend romusha's en zevenhonderd geallieerde krijgsgevangenen om het leven.

Henk Hovinga, die vele jaren internationale radioprogramma's bij de NOS maakte en nu een serie uitzendingen van de Wereldomroep over de geschiedenis van Indonesie verzorgt, is een van de weinige Nederlanders die zich in de romusha-geschiedenis heeft verdiept. In 1976 publiceerde hij een boek over de Pakan Baroe-spoorweg. Hij ontdekte dat bij dit Japanse project niet alleen krijgsgevangenen, maar ook Javaanse dwangarbeiders waren betrokken en krepeerden.

Uit Hovinga's studies blijkt dat ongeveer vier miljoen mensen uit de agrarische gebieden van Java voor korte of langere tijd romusha-dienst voor de overheersers, in dit geval de Japanners. Eerst min of meer vrijwillig en daartoe aangemoedigd door de Indonesische politieke leider Soekarno. Vrijwel alleen door Tan Malaka werd de grote leider daarop later aangesproken.

Toen in 1943 voor de bevolking wel duidelijk werd dat de meeste romusha's zonder voldoende voedsel of enige medische verzorging, werden afgebeuld tot ze erbij neervielen, meldden zich geen vrijwilligers meer aan. In naam bleef de romusha-dienst vrijwillig, maar feitelijk was het zo dat de honderdduizenden bruine slaven, wier lot veel zwaarder is geweest dan wat de voormalige koloniale bovenlaag overkwam, gewoonweg van de straat gepikt of met geweld, intimidatie en onder strafbedreigingen geronseld en op transport gesteld. Heel weinigen hebben nog ooit hun kampong of dessa teruggezien.

De meeste slachtoffers vielen onder die Indonesiërs die zich heel ver van huis aan dwangarbeid moesten onderwerpen. Uit voorzichtige schattingen op basis van zeer schaarse bronnen blijkt dat waarschijnlijk driehonderdduizend Javaanse koelies naar buiten Java werden zijn verscheept. Dat gebeurde in volgepakte schepen, zonder drinkwater en zonder sanitair. Honderden mensen kwamen bij die transporten om het leven.

Hooguit een vierde deel van de driehonderdduizend romusha's die buiten Java moesten gaan werken, heeft de dwangarbeid overleefd. Vijfenzeventig procent van hen vond de dood.