Liberia

Als ex-Firestone employé in Liberia (1956-1976), wil ik enkele opmerkingen plaatsen naar aanleiding van het artikel 'De deuren van Hotel Africa gaan straks voorgoed dicht' (NRC Handelsblad, 8 juni), waarin Firestone op een ietwat eenzijdige wijze als zakkenvuller wordt omschreven. Sinds 1926, toen de eerste rubber werd geplant in Liberia, groeide Firestone uit tot de grootste rubberplantage ter wereld met een oppervlakte van ruim 34.000 ha, beplant met circa 10.000.000 rubberbomen.

In 1976 bestond de bevolking op de plantage uit ruim 60.000 personen (inclusief 14.500 employees) verdeeld over de locaties Harbel en Cavalla. In 1926 was de totale export van Liberia ongeveer 2 miljoen dollar en in 1974 was de totale export aan rubber alleen al 64,5 miljoen dollar. Aan import- en exportaccijnzen, landrente, 'house tax' en andere belastingen werd ongeveer 25 procent betaald aan de Liberiaanse regering.

Het valt niet te ontkennen dat Firestone Plantations Company flinke winsten heeft geboekt, maar daar staat tegenover dat een deel van die winsten terugvloeide naar de plantage ter verbetering van het onderwijs, medische verzorging enz. Nog belangrijker echter is het feit dat Firestone door haar dominante positie er in is geslaagd om Liberia onder zeer slechte economische omstandigheden financieel bij te staan.

De vraag blijft natuurlijk altijd bestaan of er niet meer gedaan had kunnen worden voor de bevolking maar die vraag geldt evenzeer voor landen die kolonieën hebben gehad.