Goedkope en flexibele familiearbeid maakte Philips groot

Expanding Class: Power and Everyday Politics in Industrial Communities, North-Brabant Illustrations, ca. 1850-1950. Auteur: Don Kalb. Duke University Press, North-Carolina 1995

Philips is zonder twijfel het meest bestudeerde Nederlandse bedrijf van deze eeuw. Tot nu toe bleef het echter onduidelijk waarom juist in het agrarische en achtergebleven Noord-Brabant rond 1900 het grootste industriële complex van Nederland ontstond. Het proefschrift Expanding Class: Power and Everyday Politics in Industrial Communities, North-Brabant Illustrations, ca. 1850-1950 geeft voor het eerst een overtuigende wetenschappelijke verklaring voor de groei van de elektronicagigant uit het niets.

Cultureel-antropoloog Don Kalb stelt dat Philips groot werd door flexibel 'familisme'. Vaders namen hun dochters mee naar de fabriek - gemiddeld drie uit een gezin. Het loon van de vaders bedroeg slechts zestig procent van het landelijk gemiddelde, maar met het inkomen van de dochters, die nog veel minder kregen, werd een redelijk gezinsinkomen verdient. Eind negentiende eeuw was een dergelijke exploitatie van jonge ongeschoolde vrouwen niet ongebruikelijk. De specifieke Brabantse omstandigheden leidden er echter toe dat Philips veel voordeel had van de plaatselijke arbeidsverhoudingen.

Ongeschoolden rond Eindhoven voorzagen destijds in hun levensonderhoud door het aannemen van zes of zeven baantjes. De gezinshoofden stuurden hun dochters bijvoorbeeld naar de plaatselijke sigarenfabriek, lieten hun zonen een kleinschalig boerenbedrijfje onderhouden en verdienden zelf een inkomen als kleine handelaar. Ma deed de was voor beter gesitueerden. Gerard Philips creëerde in 1891 een fabriek waar bijna alle gezinsleden als arbeidskracht welkom waren.

Binnen de plaatselijke verhoudingen zorgden vaders voor de disciplinering van hun dochters. Ook in de fabriek werd de vader aangesproken op het functioneren van het kroost en zijn positie was voor een deel afhankelijk van het aantal dochters en jonge meisjes dat hij 'inbracht'. De 'kostwinners' kregen vaak de betere, produktie-ondersteunende, banen terwijl hun dochters de lampen in elkaar zetten. Bij ontslag bleven de families loyaal. Het management verdeelde de klappen evenwichtig over de families waardoor niet het hele gezinsinkomen werd aangetast. In het zeer onstabiele ondernemersklimaat aan het begin van deze eeuw had Philips daardoor flexibel inzetbare ongeschoolde werknemers, zonder de in die tijd veelvuldig voortkomende sociale onrust.

Vooral links-georiënteerde onderzoekers hebben zich over dit laatste, het uitblijven van arbeidersverzet, verwonderd. Bij het speculeren over de oorzaken is vaak gewezen op de meegaande Brabantse aard en de rol van de rooms-katholieke geestelijkheid. Kalb laat zien dat de structurele oorzaken in een andere richting moeten worden gezocht. Hij toont dit aan met cijfers. Zo bestond bijvoorbeeld tot ongeveer 1920 meer dan zeventig procent van de werknemers uit vrouwen en trouwden de fabrieksarbeidsters in Eindhoven later dan gebruikelijk was. De vrouwen kregen ook wat voor de deze loyaliteit terug. Wanneer ze uiteindelijk toch trouwden, kreeg hun man een redelijke baan bij het bedrijf en soms werd zelfs voor huisvesting gezorgd.

Rond 1925 was het reservoir meisjes uit de regio uitgeput en werden ongehuwde mannen en vrouwen van buiten de regio aangesteld. Dit had voor bedrijf en overheid ongewenste gevolgen. De jeugdige kamerbewoners waren, los van hun familie, volgens politierapporten te losbandig: het kwam tot ongecontroleerde omgang tussen jonge mannen en vrouwen. De produktiviteit in de fabrieken leidde er eveneens onder. Het in elkaar zetten van lampen was een precies werkje en zonder de strenge disciplinering door familiebanden werden er veel meer fouten gemaakt.

In 1929 besloot de directie tot rationalisering (waarbij onder andere de minder capabele krachten eruit gingen) en het werven van nieuwe werknemers in vooral het noorden van het land. Hiermee herstelde Philips de arbeidsverhoudingen die het bedrijf zoveel voordeel hadden opgeleverd. Door nieuwe gezinnen naar Eindhoven te halen en de vrijgezellen die minder presteerden, te ontslaan, werkten wederom hele gezinnen bij Philips. In Drenthe werden zelfs expliciet alleen families met tenminste drie dochters geworven. Philipsmedewerkers probeerden vooral mensen te recruteren uit de verarmde en gezagsgetrouwe kleine middenstand.

Het herstellen van het flexibel 'familisme' was volgens de auteur geen expliciet Philips-beleid. De rationalisering van de fabriek, waardoor de vrijgezellen verdwenen, werd door een volstrekt andere afdeling gedaan dan de recrutering. Alleen de hoofddirectie zou een dergelijke vervangingsstrategie kunnen hebben gehad, maar hierover zijn geen beleidslijnen op papier gezet. Gezien de complexiteit van Kalb's Philipsisme lijkt een dergelijke bewuste politiek overigens niet voorstelbaar. De familie Philips heeft de kansen die Eindhoven bood, wel altijd goed aangevoeld. Frederik Philips, de vader van oprichters Anton en Gerard, deed uiteindelijk een net gekochte fabriek in Breda van de hand, omdat Eindhoven bij nader inzien een betere vestigingsplaats leek.

In de crisisjaren bleek het nogmaals het grote voordeel van het Philipsisme. Ten tijde van grote economische neergang in de jaren dertig en ondanks de toen ook al de harde Nederlandse gulden nam de export sterk toe, vooral als gevolg van de massaproduktie van radio's. Kalb laat zien dat Philips in deze tijd in vergelijking met de Amerikaanse autofabrikant Ford een belangrijk voordeel had door het flexibel familisme.

De Amerikaanse fabriek in Detroit, lange tijd het modelbedrijf voor westerse ondernemingen, kende traditioneel een produktie waarin de mannelijke kostwinner verreweg de belangrijkste kracht was. In tijden van massaontslag zorgde dit voor grote sociale onrust. In Eindhoven, inmiddels het tweede industriële centrum van Nederland, bleven de werknemers trouw aan overheid en bedrijf.

Kalb, cum laude gepromoveerd, kon mede tot deze bevindingen komen door een bijzonder sterke theoretische onderbouwing. Hij heeft hierbij het lef gehad een stuk marxistische theorie - tegenwoordig zowel in als buiten de wetenschap taboe - nieuw leven in te blazen. Het begrip klasse ontdoet hij van marxistisch determinisme. De antropoloog stelt dat dit groepsbewustzijn niet alleen afhankelijk is van de kapitaalverhoudingen, maar eveneens van de plaatselijke sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Hij weet zodoende de materialistische angel - dat alles op economische vooruitgang zou zijn terug te voeren - uit de theorie te verwijderen. Marx' les dat economische ontwikkelingen zijn ingebed in historische processen, neemt Kalb echter terecht serieus.

Zodoende kan hij het specifieke karakter van de opkomst van Philips voor een belangrijk deel verklaren. Het flexibel familisme is natuurlijk niet de enige reden voor de groei. Ongetwijfeld hebben ook goed ondernemerschap, gedegen produktonderzoek, doordachte marketing en slimme handelspolitiek bijgedragen tot het ontstaan van de multinational. Kalb draagt wel als eerste een wetenschappelijke verklaring aan. Het wachten is op economen die, in een tijd dat het Nederlandse industriebeleid weer volop in de belangstelling staat, de uitdaging aannemen en op zoek gaan naar een verdere bedrijfs-economische onderbouwing van Philips' succes.