Expositie over belangrijkste architect Gouden Eeuw in Paleis op de Dam; De vele kanten van Jacob van Campen; Van Campen was als schilder en architect classicist, maar geen dogmaticus;

Tentoonstelling: Jacob van Campen. Het klassieke ideaal in de Gouden Eeuw. Tot 3 sept. in: Het Koninklijk Paleis op de Dam, Amsterdam. Geopend; dagelijks 12.30-17 uur. Prijs catalogus (Uitg. Architectura et Natura, 296 blz.) tijdens de tentoonstelling ƒ 59,50, daarna ƒ 89,50.

Het is pas 399 jaar geleden dat de architect-schilder Jacob van Campen werd geboren, maar nu al wordt zijn vierhonderdste geboortedag gevierd met de zomertentoonstelling in het door hemzelf ontworpen Koninklijk Paleis in Amsterdam. Misschien komt dit doordat de organisatoren veel sneller dan verwacht klaar waren met het verzamelen van het materiaal voor deze eerste Van Campen-tentoonstelling. Erg groot is de expositie over de belangrijkste architect uit De Gouden Eeuw in ieder geval niet geworden. Dit heeft mede te maken met het kleine aantal architectuurtekeningen (acht om precies te zijn) dat van Van Campen behouden is gebleven. Het grootste deel van de tentoonstelling bestaat daarom uit secundair materiaal: schilderijen en tekeningen, gemaakt door tijdgenoten als Pieter Saenredam, en al dan niet oude maquettes van ontwerpen van Van Campen.

Jacob van Campen (1596-1657) was de eerste die een bouwkunst volgens onversneden renaissance-principes in Nederland introduceerde. Voor zijn tijd was de invloed van de renaissance in de Nederlandse architectuur voornamelijk beperkt gebleven tot gevelversieringen, maar Van Campen onderwierp elk detail van het gebouw aan de maten die de Romeinse architect Vitruvius had voorgeschreven in zijn De Architectura. Die verhoudingen waren gebaseerd op die van het menselijk lichaam, de kroon van de schepping. Anders dan bij de gebouwen van voorgangers als Hendrick de Keyser, die toch ook op de hoogte was van de Italiaanse renaissance, speelden versieringen in Van Campens oeuvre een secundaire rol. Ze dienden voornamelijk om de verhoudingen te beklemtonen en zo nodig zag Van Campen er grotendeels van af, zoals in zijn Nieuwe Kerk in Haarlem en de Nederlands Hervormde Kerk in Renswoude.

De tentoonstelling over zo'n pure classicist begint dan ook heel vreemd met een maquette van de nooit gebouwde, door Van Campen ontworpen toren voor de zestiende-eeuwse Nieuwe Kerk in Amsterdam. Die is namelijk gotisch en gotiek was in de ogen van renaissance-architecten een gruwel, een chaos van vormen. Volgens Constantijn Huygens, via wie Van Campen veel opdrachten kreeg van stadhouder Frederik Hendrik en graaf Johan Maurits, was Van Campen dan ook juist degene 'die 't Gotsche krulligh mall met staetigh Roomsch vermanden'. Maar Van Campen was geen dogmaticus: een classicistische toren bij de laat gotische Nieuwe Kerk vond hij niet passen, al kon hij het niet laten om zijn gotische ontwerp van al te grillige trekken te ontdoen.

Na de gotische toren komen Van Campens classicistische kerken aan bod, maar hoe men daarna de tentoonstelling moet vervolgen, blijft duister. Wie aan een suppoost vraagt hoe de tentoonstelling in elkaar zit, krijgt te horen dat men overal kan beginnen. Hij heeft gelijk: de route door de tentoonstelling is ondoorgrondelijk. De bezoeker moet het maar voor lief nemen dat hij voortdurend onverwacht stuit op weer een ander aspect van Jacob van Campen.

Van Campen blijkt niet alleen de ontwerper van gebouwen als de nu verdwenen Schouwburg in Amsterdam, maar ook van tuinen, beelden, graftombes en bovenal van decoratieprogramma's voor interieurs van de paleizen van Frederik Hendrik. Hoogtepunt van zijn decoratiewerk is de Oranjezaal van Huis ten Bosch, die Van Campen volgens zijn ontwerpen en ideeën liet beschilderen met talloze mythologische taferelen. Het zijn allemaal verwijzingen naar de in 1647 overleden stadhouder Frederik Hendrik, voor wie zijn weduwe Amalia van Solms de zaal als mausoleum liet inrichten.

Zelf nam Van Campen ook een aantal schilderingen in de Oranjezaal voor zijn rekening, waaronder het ruiterportret van Frederik Hendrik. Uiteraard zijn die niet in originele staat te zien op de tentoonstelling. Maar wie niet oplet (zoals ik bij het eerste bezoek aan de tentoonstelling), loopt door gebrek aan bewegwijzering ook voorbij aan de zaal waar wel originele schilderijen van Van Campens hangen. Het zijn er niet zoveel, maar ze vormen wel een belangrijk onderdeel van de expositie. Het mooie portret van Constantijn Huygens en Suzanna van Baerle, dat het Mauritshuis een paar jaar geleden kocht, is er te zien, evenals Oude vrouw met boek uit de collectie van de Amerikaan Alfred Bader, dat nu voor het eerst in Nederland wordt getoond.

Voor hij in de jaren twintig van de zeventiende eeuw zijn loopbaan als architect begon, was Van Campen al een bekend Haarlems schilder. Ook wat dit betreft volgde hij dus renaissance-kunstenaars als Michelangelo en Giulio Romano. Maar als schilder was Van Campen toch de mindere van zijn Italiaanse voorgangers. Begonnen als Caravaggist, ontwikkelde hij zich later tot een classicist, maar veel van zijn schilderijen hebben iets onbeholpens. Niet voor niets noemt Quentin Buvelot in zijn catalogusartikel over Van Campen als schilder de gebrekkige anatomie herhaaldelijk als belangrijk stijlkenmerk van Van Campens schilderijen.

De catalogus is trouwens interessanter dan de tentoonstelling. Pas wie de zeven artikelen, die telkens een ander onderdeel van Van Campens veelzijdige oeuvre behandelen, heeft gelezen, raakt ervan doordrongen hoe ver Van Campens klassieke ideaal reikte. Alles, van schilderijen tot tuinen en van beelden tot hele gebouwen, werd onderworpen aan de 'maetzang', zoals Vondel Van Campens werkwijze omschreef in het gedicht ter gelegenheid van de inwijding in 1655 van het Amsterdamse stadhuis. “Voor hem was het classicisme immers niet alleen een bouwstijl, maar meer nog een levensstijl”, schrijft Koen Ottenheym dan ook in de catalogus.

Lezing van de catalogus is ook nodig om te weten te komen dat Van Campens Stadhuis op de Dam (nu het Koninklijk Paleis) als reconstructie van de tempel van Salomon in Jeruzalem kan worden beschouwd. Een tekening van deze tempel, gemaakt door de Spaanse jezuïet Villalpando is weliswaar te zien op de tentoonstelling, maar dan wel als inspiratiebron bij Van Campens classicistische kerken en niet bij de tekeningen en maquette van het Stadhuis.

Het grote voordeel van de Van Campen-tentoonstelling is natuurlijk wel dat deze plaats vindt in het hoofdwerk van Van Campen. Wie na het zien van de expositie niet is overtuigd van Van Campens grootheid - en dat is waarschijnlijk het geval - kan vervolgens dwalen door het gebouw dat tot ver in de negentiende eeuw het grootste van Nederland zou blijven. Hij kan dan zelf vaststellen dat het hier, zoals Van Campens tijdgenoten vonden, inderdaad om het achtste wereldwonder gaat.