Een land is zo rijk als het zich voelt

'Wij zijn veel armer dan Canada', zo luidde de kop boven de bijdrage van De Kruijk in NRC Handelsblad van 30 mei. De Kruijk reageerde daarmee op een eerdere inkomensvergelijking in de krant van 29 april, die als uitkomst had dat Nederland wèl welvarender is dan onder andere Canada. Zowel de koopkrachtcijfers van De Kruijk als de cijfers over het bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking geven echter maar voor een deel weer hoe het met de welvaart in een land gesteld is. In deze bijdrage wordt kort ingegaan op een tweetal 'vergeten' factoren die de welvaart van de inwoners van een land wel degelijk beïnvloeden. Het betreft hier achtereenvolgens de beschikbaarheid van collectieve voorzieningen en de bijdrage van onbetaalde arbeid aan de welvaart.

Een van de kenmerken van een verzorgingsstaat, zoals de Nederlandse of bijvoorbeeld de Duitse of de Zweedse, is dat twee typen 'produkten' worden aangeboden. In de eerste plaats is er een ruim aanbod van allerlei individuele goederen (hamburgers, auto's, cd's) en diensten (haar knippen, vakantiereizen), die op de markt worden verhandeld en alleen beschikbaar komen voor wie er op basis van zijn of haar individuele keuze voor wil betalen.

Daarnaast is er sprake van een aanzienlijk aanbod van collectieve goederen en diensten (defensie, onderwijs, gezondheidszorg, sociale voorzieningen). Dit aanbod wordt goeddeels betaald uit belastinggeld en is in principe beschikbaar, soms gratis (defensie), soms tegen een ver onder kostprijs liggende vergoeding (bijvoorbeeld onderwijs), voor iedereen die als 'rechthebbende' wordt aangemerkt. Bij defensie zijn dat alle inwoners van het land. Bij onderwijs is het criterium gewoonlijk het behoren tot een bepaalde leeftijdscategorie.

Voor de welvaart van individuele burgers maakt het nogal wat uit of van het verdiende (netto) inkomen alleen hamburgers en vakantiereizen moeten worden betaald, of dat bijvoorbeeld (zoals in de Verenigde Staten) ook de (kost)prijs van een opleiding nog ten laste van dat netto inkomen gaat. Is voor al die mooie voorzieningen dan al niet dubbel en dwars belasting betaald, zo zou men zich kunnen afvragen. Als dat namelijk het geval is, maakt het in de bruto sfeer allemaal niet zo veel uit en krijgen de burgers hooguit een sigaar gepresenteerd uit eigen doos.

Voor zo'n presentje behoeft echter geen al te grote angst te bestaan. Tal van voorzieningen kunnen collectief efficiënter worden geproduceerd dan op individuele basis (sommige voorzieningen zouden dan in het geheel niet tot stand komen - wie gaat op eigen initiatief heel Nederland tegen buitenlandse vijanden of tegen het water verdedigen) en leveren zowel het individu als de samenleving zoveel meerwaarde (positieve externe effecten) op, dat het bestede belastinggeld ruimschoots wordt terugverdiend.

Dit laatste is bijvoorbeeld het geval als bewoners bepaalde basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen worden aangeleerd. Zo lang de collectieve sector zich niet bezighoudt met activiteiten die via de markt efficiënter kunnen worden geregeld (en los van de overweging dat ook rechtvaardigheidsgronden een argument kunnen vormen om zelfs enig verlies aan efficiëntie voor lief te nemen), kan dan ook gesteld worden dat bij een gelijk inkomen per hoofd van de bevolking de burgers van een land met meer collectieve voorzieningen welvarender zullen zijn dan die van een land met minder collectieve voorzieningen.

Qua koopkracht scoren Nederland en bijvoorbeeld België en Frankrijk vrijwel gelijk volgens de statistieken van de OESO. Toch is er tussen deze landen een belangrijk verschil. Alle Nederlanders samen hebben heel wat minder arbeidsuren nodig dan onze zuiderburen om het inkomen dat tot die koopkracht leidt bijeen te garen. Dit wordt niet zo zeer veroorzaakt doordat het percentage mannen en vrouwen dat betaalde arbeid verricht tussen de landen verschilt, maar veeleer door het feit dat Nederland aanmerkelijk meer deeltijders kent dan andere landen. Zo is Nederland het enige land van de Europese Unie waar niet minder dan vijftien procent van de mannen in deeltijd werkt, terwijl dat percentage bij vrouwen ruim boven de helft uitkomt. Veel vrouwen hebben bovendien een deeltijdbaan met een omvang van niet meer dan zo'n twintig uur per week.

Vanuit het welvaartsperspectief is vooral relevant wat er tijdens die niet-betaalde uren gebeurt. En dat is niet niets, zoals onder andere nog eens wordt aangetoond in het onlangs bij de Emancipatieraad verschenen onderzoek 'Rekenen met onbetaalde arbeid' van de Utrechtse onderzoeksters Plantenga en Sloep. Zij bespreken verschillende waarderingsmaatstaven voor onbetaalde arbeid en laten zien dat afhankelijk van de gehanteerde maatstaf het Nederlandse nationaal inkomen met zestig à tachtig procent zou toenemen als een aantal categorieën onbetaalde arbeid ook 'meegeteld' zou worden.

Voor diverse categorieën onbetaalde arbeid geldt dat, als deze arbeid onverhoopt zou wegvallen, de samenleving onmiddellijk in grote problemen zou raken. Dat geldt onder meer voor een brede categorie - vooral door vrouwen verrichte - zorgtaken, die zowel de zorg voor kinderen als bijvoorbeeld mantelzorg omvat. Andere vormen van onbetaalde arbeid kunnen misschien wel op korte termijn worden gemist, maar dragen op lange termijn in hoge mate bij aan de sociale cohesie en vormen in die hoedanigheid in sommige opzichten het cement van de samenleving.

Al die gratis verrichte activiteiten sparen betaalde arbeid uit en voorzien in een wijd scala aan behoeften van jong en oud en in alle lagen van de bevolking. De laatste jaren is dat nog eens pijnlijk duidelijk geworden door de bezuinigingen in onder andere de zorgsector en het onderwijs, die velen (vooral vrouwen) genoodzaakt hebben nieuwe - onbetaalde - taken op zich te nemen. De conclusie op dit punt: een land is welvarender dan een ander land als het een zelfde inkomen kan verdienen als dat andere land en er tegelijkertijd meer gelegenheid is voor het verrichten van onbetaalde taken.

Vormt deze laatste conclusie dan een pleidooi vóór onbetaalde arbeid en daarmee impliciet een pleidooi tégen het streven de deelname van vrouwen aan betaalde arbeid te bevorderen? Het eerste is maar zeer ten dele waar en het tweede in het geheel niet. Een groot probleem voor de onbetaalde werkers is dat het verrichten van onbetaalde arbeid thans in Nederland niet leidt tot financieel-economische zelfstandigheid. Concentratie van die onbetaalde arbeid bij een specifieke groep van de bevolking, in casu vrouwen, staat derhalve op gespannen voet met het streven naar financieel-economische zelfstandigheid voor alle volwassen Nederlanders.

Voor zover waarde gehecht wordt aan alle activiteiten die nu nog in het onbetaalde circuit plaatsvinden, ligt het op grond van overwegingen van rechtvaardigheid voor de hand deze gelijker over mannen en vrouwen te verdelen. Daarnaast geldt dat ook de thans nog onbetaalde taken op grond van overwegingen van efficiëntie wellicht met behulp van het marktmechanisme beter gekoppeld kunnen worden aan degenen die er gelet op hun produktiviteit en kwalificaties het geschiktst voor zijn. En dat zijn tegenwoordig zeker niet uitsluitend vrouwen!

Daarmee zijn we toe aan een tweetal slotopmerkingen over het begrip welvaart. Economen definiëren dit begrip als de mate waarin wordt voorzien in de behoeften van individuen. Welvaart is volgens deze omschrijving dus een relatief begrip: als de behoeften voortdurend toenemen, blijft een hoger welvaartsniveau buiten bereik.

Daarnaast beperken de behoeften of voorkeuren zich niet alleen tot de vraag 'hoeveel hamburgers kan ik eten?' of 'hoe vaak kan ik dit jaar op reis?', maar betreffen zij ook de inrichting van de samenleving en daarmee vraagstukken van rechtvaardigheid en verdeling.

Afhankelijk van de voorkeuren van de burgers van een land zijn het dus niet alleen het inkomen, de beschikbaarheid van collectieve voorzieningen en de waarde van de onbetaalde arbeid die de welvaart bepalen, maar speelt ook een rol hoe dit alles over de individuen die deel uitmaken van de samenleving verdeeld is. Kort gezegd, geldt daarom: een land is net zo rijk als het zich voelt!