Die Zauberflöte: hechte eenheid tussen musici en solisten; Magische Mozart-interpretatie

Voorstelling: Die Zauberflöte van Mozart. Door: The English Baroque Soloists en The Monteverdi Choir o.l.v. John Eliot Gardiner, met Michael Schade, Christiane Oelze, Gerald Finley, Cyndia Sieden, Harry Peeters, e.a. Gehoord: 19/6, Concertgebouw Amsterdam. Herhaling 20 en 22/6. Televisie: 7 juli, Nederland 3

Het Concertgebouw stond in vuur en vlam gisteravond. Niet alleen dank zij het publiek, dat na afloop van de voorstelling van Die Zauberflöte door dirigent John Eliot Gardiner en de zijnen, in een overweldigend applaus zijn waardering liet blijken. Maar ook al tijdens de voorstelling toen Tamino en Pamina, gesteund door hun toverfluit, een vlammenzee moesten trotseren om daarmee blijk te geven van hun edele gevoelens. Het waren menselijke vlammen waar ze doorheen moesten. Leden van het Pilobolus Dance Theatre - die eerder ook al de poorten van Sarastro's tempel hadden verbeeld, en allerlei griezelige monsters - kronkelden als vurige tongen om de beide geliefden heen, maar zij waren ongenaakbaar.

Die Zauberflöte is de laatste semi-scènische opera van de Mozart-cyclus van John Eliot Gardiner, die in 1990 begon met La Clemenza di Tito. Toen was er een eenvoudig podiumpje achter het orkest, waar de zangers, acterend maar wel gewoon gekleed in rokkostuum en concertjurk, hun aria's en recitatieven zongen. Die eerste voorstellingen waren nog niet veel meer dan uit de hand gelopen concertante uitvoeringen in vergelijking tot het theaterspektakel dat Gardiner er later van heeft gemaakt.

Het enige wat eigenlijk in de voorstelling van gisteravond ontbrak was dat ene grote operatoneel. Hoewel ontbrak? Daarvoor hadden we in Teatro Regio di Parma moeten kijken, waar deze voorstelling compleet geënsceneerd in première ging, in de regie van Stephen Medcalf. Die voorstelling is, deze keer compleet met de kostumering en met een deel van de belichting, visueel vertaald naar de typische omstandigheden van het Concertgebouw. En het is zeer de vraag of de uitvoering daarmee aan kracht heeft ingeboet.

Zoals ook in de eerdere Mozart-opera's van Gardiner is gebleken, heeft de Grote Zaal van het Concertgebouw voortreffelijke mogelijkheden voor theatrale effecten. Zeker nu er niet alleen achter het orkest wordt gespeeld, maar ook op een smal podium ervoor. De imposante trappen met de openslaande deuren, het grote orgel, de verborgen deurtjes links en rechts daarvan, de mogelijkheid om aan weerszijden van het podium de zaal te verlaten: dat alles draagt bij aan een opvallend intieme, nabije uitvoering.

Orkest en solisten vormen zo, meer dan in een gewoon operatheater een hechte eenheid. Dat werd ook gesymboliseerd in dat ene grapje, waarbij Papageno even een schilderijlijst om de arm van Gardiner hangt omdat het ding hem in de weg staat. En in Tamino's toverfluit en Papageno's klokkenspel, die beide door musici uit het orkest aan de zangers wordt aangereikt.

Een hechte band tussen solisten en musici en een intieme vorm van theater, met het orkest ook letterlijk in het hart van de voorstelling, dat is precies wat Gardiner wil. Zo komt als vanzelf het theatrale vermogen van Mozart, dat tot in detail in de partituur is terug te vinden, aan het licht. Het zijn in Gardiners interpretatie niet zozeer de oude instrumenten die zijn voorstellingen steeds weer een magische kwaliteit geven - ze zijn niet meer dan een eenvoudig middel, de vanzelfsprekende consequentie van zijn poging om Mozarts partituur te doorgronden.

De kracht van Gardiners interpretaties ligt in het feit dat hij in de muziek contrasten en schoonheden naar voren haalt die de meeste dirigenten al decennia lang over het hoofd zien. De eenvoud in de begeleiding van Pamina's klacht Ach, ich fühl's, de prachtige versiering in de melodie van de sopraan en daarna het orkest heel even in al zijn volheid laten opbloeien - dat zijn accenten die je niet vaak hoort. Ook de gebroken akkoorden door de fagotten in Sarastro's aria In diesen heil'gen Hallen, de subtiele maar o zo venijnige begeleiding van de aria Der Hölle Rache van de Königin der nacht en het van erotiek druipende duet tussen Papageno en Papagena tonen Gardiners orkestrale beheersing van Mozarts operataal. Waarbij hij gesteund wordt door de briljant musicerende English Baroque Soloists, die Gardiners wensen tot in detail weten te realiseren.

De casting is, zoals in de voorgaande jaren, voortreffelijk. Christiane Oelze overtuigt als jeugdige, sprankelende Pamina. Tamino (Michael Schade) is voor de verandering nu eens niet een al te knullige prins, al blijft de trouwhartige, grootsprakige maar ondertussen kleinzerige Papageno het lievelingetje van het publiek, zeker wanneer die rol gezongen wordt door iemand met de podiumpersoonlijk en de krachtige stem van Gerald Finley. Cyndia Sieden (Königin der Nacht) heeft het geluk van de wat lagere, authentieke stemtoon (A=432) in haar razend hoge aria's, Harry Peeters (Sarastro) heeft het met zijn zware stemgeluid daardoor juist extra moeilijk. Monostatos (Uwe Peper) was, evenals de drie dames, niet altijd verstaanbaar.

Maar dat is een detail, in een voorstelling die een waardige afsluiting was van een Mozart-cyclus waarover ongetwijfeld nog jaren gepraat zal worden. Gardiner heeft plannen voor een semi-scènische Fidelio, voor een Falstaff en voor opera's van Berlioz en Weber. Hopelijk zal hij daarmee ook in de toekomst te gast zijn bij het Holland Festival.

    • Paul Luttikhuis