De staat, dat zijn de anderen

HENGELO. Ben je een Einzelgänger, dan heb je in het leger niets te zoeken. Ga dan bij de Rabobank werken. Daar hebben ze loketten met twee van die schotten naast je. Heb je geen last van je collega's. Sergeant-majoor Henk Groote wil het niet mooier voorstellen dan het is. “De eerste twee weken van de opleiding zit je in een totaal afgezonderde situatie, met vijftien man in een tent. Afgesloten van de buitenwereld. Géén walkmans. Dan moet je het zien te rooien met mensen die je nog nooit van je leven hebt gezien. We leven in het ik-tijdperk, maar bij ons gaat het om het wij-gevoel.”

Groote, een blonde beroepsmilitair van begin veertig, soms sluit hij zijn zinnen af met een vragend, maar ook een tikje gebiedend “ja?”, werft jonge mensen voor de landmacht. “Je kunt er donder op zeggen dat je zult worden uitgezonden. De meesten willen liever naar de Sinaï dan naar Bosnië. In de Sinaï is het mooi weer, daar is het niet gevaarlijk. Daar heb je niets over te zeggen. Je moet bereid zijn eventueel te vechten. Wil je dat niet, dan kunnen we je het telefoonnummer geven van Artsen zonder Grenzen, die doen heel goed werk en die kunnen je wel gebruiken.

“Jullie weten, in ex-Joegoslavië zijn de Nederlandse militairen betrokken bij peace-keeping. Op dit ogenblik gaan er stemmen op dat we misschien naar peace-enforcing moeten. Als de politiek dat besluit, dan is het leger daaraan gebonden. Je kunt dan niet zeggen dat je liever aan peace-keeping doet.”

De zes jongens luisteren nu al een uur naar de uitleg van Groote. Er zat eerst ook nog een meisje bij, maar die is halverwege opgestapt. Ze zijn gekomen omdat ze geïnteresseerd zijn in een baan bij de Koninklijke Landmacht. Nu de dienstplicht binnenkort wordt afgeschaft is het leger een belangrijke werkgever geworden. Per jaar heeft de landmacht zesduizend BBT-ers nodig, beroeps voor bepaalde tijd, en om die binnen te halen zijn overal in het land 'banenwinkels' geopend. In Hengelo lokt een moderne winkelpui tussen de zelfbediening en de radiozaak de jongelui naar binnen. Wie er even rondloopt, het opgezette legertentje bekijkt, wat stoeit met de computer waarop filmpjes draaien over VN-taken, de luchtmobiele brigade en banen als kok of chauffeur, in gesprek raakt met die aardige dame in flatteuze battle dress, die heeft voor hij het weet een stapel brochures, een videoband en een gratis pen in camouflagekleuren in zijn hand. Plus een uitnodiging voor een uitvoerige voorlichting, zoals Groote die nu geeft.

Als Groote is uitgepraat, krijgen de jongens nog een gesprek en wordt het sollicitatieformulier ingevuld. Ze hopen allemaal dat 't wat wordt. Dat ze BBT-er kunnen worden. Twee en een half jaar in het leger, geld verdienen en een vak leren. Dan terug in de burgermaatschappij, of bijtekenen.

Richard, 25, heeft een grafische opleiding, maar is nu glazenwasser. Hij wil mensenkennis opdoen en de discipline van het leger trekt hem. Roy is bijna 17 en hoort binnenkort of hij zijn MAVO heeft gehaald. Hij wil chauffeur worden op een rupsvoertuig. Gerrit is 24, heel breed en fitness-instructeur. Vanaf zijn twaalfde heeft hij die wens al, het leger in. Ronald is 19 en wil gewoon iets doen. Hij heeft VBO detailhandel en MBO verkoop, maar geen werk. “Altijd maar bij huis zitten is niks”. Hij ziet wel iets in de geneeskundige troepen.

Twee vriendinnen lopen de banenwinkel binnen. Ursela (24) en Myrna (22). Ze hebben allebei al heel wat afgesolliciteerd. “De inkt is op”, zegt Myrna. “Hier in het oosten is heel weinig werk.” Nu willen ze het leger in. Als chauffeur, of als kok. Zo is er in zeer korte tijd zeer veel in het leger veranderd. Terwijl het legergroen een paar jaar geleden nog stond voor grenzeloze verveling en een versleten vijandbeeld, zijn de camouflagekleuren nu het symbool van actie, avontuur en goede doelen. Terwijl eerdere generaties een zucht van verlichting slaakten als ze werden afgekeurd, hopen deze jongens en meisjes vurig dat ze door de keuring heen komen. Ze zijn niet hoog opgeleid, en misschien is het leger niet hun eerste keus, maar 't is niet uit lamlendigheid dat ze hier in de banenwinkel komen. Ze willen aanpakken, iets doen met hun leven. En nu het leger steeds meer de gedaante van een internationale hulporganisatie aanneemt is ook het imago van de beroepssoldaat veranderd: van vechtpet naar blauwhelm, van houwdegen naar hulpverlener. Dat ze plotseling uitgezonden kunnen worden, dat ze bevelen moeten opvolgen - dat is all in the game, dat weet je van te voren.

Wie nog de mening koesterde dat een beroepsleger in minder dan geen tijd in een bolwerk van intolerantie en rechts-extremisme verandert, die wordt de laatste tijd op zijn minst aan het twijfelen gebracht. Het leger is een groot bedrijf, een instelling die in verre landen levens redt, een plaats waar jonge mensen levenservaring opdoen en een opleiding kunnen volgen.

Prachtig allemaal, dus vanwaar toch dat onbehaaglijke gevoel dat de argeloze bezoeker van de banenwinkel bekruipt? Het is verwant aan het gevoel dat optrad toen de PTT een gewone onderneming werd, en dat zich ook liet voelen toen de NS voor zichzelf begonnen. Het is het gevoel dat we iets kwijtraken dat ons weliswaar niet erg dierbaar was, maar dat we toch liever niet in andere handen zagen.

Natuurlijk, we zijn het leger niet kwijt. Het leger is alleen maar geprofessionaliseerd. Net als alle andere belangrijke taken in een moderne samenleving wordt nu ook de landsverdediging en de crisisbeheersing overgelaten aan professionals. Je krijgt daarmee een betere organisatie en gemotiveerde soldaten. Je hoeft andere jongens in de bloei van hun leven niet iets te laten doen waar ze helemaal geen zin in hebben. Toch had die dienstplicht iets wat waardevol was: het was de uitdrukking van het feit dat de Nederlandse staat het uiteindelijk van zijn burgers moet hebben. De dienstplicht was het symbool van onze onderlinge afhankelijkheid, het teken dat als de nood aan de man komt we er zelf iets aan zouden moeten doen - of we daar nu zin in hadden of niet. Dat was zo gek nog niet. Niet omdat de Nederlandse staat een hogere levensvorm vertegenwoordigt, maar omdat we toevallig die staat vormen. De dienstplicht onderstreepte dat de staat niets anders dan wijzelf waren.

Het beroepsleger, de banenwinkels, de televisiespotjes, de balpennen in camouflagekleuren en al die andere pogingen om jaarlijks die 6.000 jongeren over de drempel te trekken lijken iets anders te benadrukken: dat het wel mag, maar dat we niet meer moeten. Er wordt voor gezorgd. De staat, dat zijn nu meer en meer de anderen.