Castro: uitlevering Vesco is 'immoreel'

MEXICO-STAD, 20 JUNI. De Cubaanse leider Fidel Castro heeft de uitlevering van de sinds 1972 voortvluchtige Amerikaanse zakenman Robert Vesco aan de Verenigde Staten “immoreel” genoemd. In plaats daarvan zal de Cubaanse regering volgens Castro zelf onderzoek doen naar het dossier van de 59-jarige Vesco, die ervan wordt verdacht miljoenen te hebben verduisterd en die sinds 1982 in Cuba verblijft. Dat heeft het Amerikaanse televisiestation CNN gisteren gemeld.

De Cubaanse autoriteiten namen Vesco vorige week in hechtenis omdat hij ervan zou worden verdacht een “agent” te zijn van “een speciale buitenlandse dienst”. Vesco wordt nu vastgehouden in Villa Marista, het hoofdkwartier van de Cubaanse geheime dienst.

Robert Lee Vesco werd in 1972 beschuldigd van fraude met een in Zwitserland gevestigd Amerikaans investeringsfonds. Hij zou daarbij de beleggers voor 224 miljoen dollar hebben opgelicht. Vesco werd daarop in de Verenigde Staten gearresteerd, maar op borgtocht vrijgelaten. Vervolgens vluchtte hij naar het buitenland, waar hij de afgelopen 23 jaar heeft doorgebracht. De financier woonde lange tijd in Costa Rica, waar hij betrokken raakte bij een plaatselijk politiek schandaal. Vesco heeft zich ook tijdelijk gevestigd in de Bahama's. Hij geldt als één van de meestgezochte personen van de Amerikaanse justitie.

Een jaar na zijn vlucht veroorzaakte Vesco opnieuw een schandaal in de VSdoor een illegale bijdrage aan de herverkiezingscampagne van de toenmalige president Richard Nixon van 200.000 dollar. De zaak leidde tot de berechting van Nixons campagnemanager, minister van justitie John Mitchell. Vesco zou volgens de Amerikaanse autoriteiten na zijn vlucht naar Latijns Amerika mogelijk contacten hebben onderhouden met een toenmalige topman van het cocaïnekartel van Medellín, Carlos Lehder. Deze drugsbaron gold destijds als één van de belangrijkste informanten van de Amerikaanse drugsbestrijdingsdienst DEA. Lehder zit nu een gevangenisstraf uit in de VS.

Volgens de Cubaanse autoriteiten kreeg Vesco in 1982 toestemming naar Cuba te komen, omdat hij daar een medische behandeling wilde ondergaan. Daarna zou zijn verblijf zijn verlengd uit “humanitaire overwegingen”. Vesco zou in Cuba de schuilnaam Tom Adams hebben gebruikt. Volgens het Mexicaanse blad Proceso zou Vesco in de hoofdstad Havana een huis hebben betrokken in de luxe wijk Siboney, waar onder anderen diplomaten, buitenlandse zakenlieden en speciale genodigden van de Cubaanse regering verblijven. Aanvankelijk deelde Vesco het door agenten van de staatsveiligheidsdienst bewaakte huis met zijn vrouw, volwassen dochter en een kleinkind. Sinds twee jaar zou hij er alleen hebben gewoond en volgens door Proceso geraadpleegde buren een terugtrokken leven hebben geleid.

Vesco's arrestatie houdt mogelijk verband met het eerder dit jaar gesloten migratie-akkoord tussen Cuba en de VS om de gespannen verhoudingen te verbeteren. Er zijn hardnekkige geruchten dat de VS onder meer de uitlevering van Vesco hebben geëist als tegenprestatie voor een soepeler Amerikaanse opstelling ten opzichte van Cuba.

Vesco heeft in de jaren tachtig mogelijk een rol gespeeld bij de pogingen van het Cubaanse regime om het inmiddels drie decennia oude Amerikaanse handelsembargo tegen Cuba te omzeilen. Cuba had daartoe een speciale afdeling van het ministerie van binnenlandse zaken opgericht. De afdeling hield zich bezig met de smokkel van onder andere Westerse technologie naar Cuba. Deze zaak kwam aan het licht tijdens de spraakmakende rechtszaak tegen twee hoge officieren van het (door militairen geleide) ministerie, de gebroeders De La Guardia, en een voormalige commandant van de Cubaanse strijdkrachten in Angola, generaal Arnaldo Ochoa. Alle drie werden in juli 1989 door een vuurpeloton geëxecuteerd na tijdens een uiterst omstreden proces te zijn veroordeeld wegens onder andere drugshandel.

De aanhouding van Vesco door de Cubanen speelt zich bovendien af aan de vooravond van de behandeling door het Amerikaanse Congres van wetgeving die de bedoeling heeft het handelsembargo verder te verscherpen. Het voorstel is ingediend door de Republikeinse voorzitter van de buitenlandcommissie van het Congres, Jesse Helms, en een partijgenoot in het Huis van Afgevaardigden. Buitenlandse firma's die handel drijven met Cuba zouden volgens het voorstel gestraft moeten worden met sancties. Zo zouden managers van deze bedrijven niet langer in aanmerking moeten komen voor een Amerikaans visum. De regering van Clinton voelt echter niets voor deze aanscherping van de huidige wetgeving.