Van Zweden beheerst problemen bij Rihm

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Zoltán Peskó m.m.v. Jaap van Zweden (viool) en Cornelia Kallisch (alt). Gehoord: 17/6 Concertgebouw Amsterdam.

De vorm is vaak het grote probleem bij impulsief werkende componisten als Wolfgang Rihm. Die valt meestal uiteen in brokstukken, in een muziek die evolueert uit dramatische contrasten. Maar er zijn uitzonderingen. Noch Rihms pianoconcert Sphere, op 11 juni in première gebracht, noch zijn vioolconcert Gesungene Zeit, zaterdag voor het eerst bij het Concertgebouworkest op de lessenaars, wekte de indruk van verpulverde muziek, integendeel. Het pianoconcert klinkt als één groot organisme, waarin de piano staccatissimo als slagwerkinstrument wordt ingezet. Het vioolconcert komt over als één groot ademend lichaam, waarin de viool legatissimo zangerige lijnen trekt.

Voor Rihm is instrumentale virtuositeit niets anders dan een opgevoerde kwaliteit van zangtechnische bekwaamheden. Gesungene Zeit is één lange cantilene die zich voltrekt in de hoogste liggingen. Je zou kunnen zeggen dat waar Szymanofski in zijn sublieme 'Mei'-vioolconcert ophoudt, Rihm de draad heeft opgepakt, want van begrenzingen heeft hij nooit gehoord.

Consequent is de behandeling van het aanvullende en zelden contrasterende orkest, dat de indruk wekt van één reusachtige vioolklankkast. Tegen het slot brengen de aangestreken cymbales antiques nog vervreemdender slissend lispelende suizelingen aan dan de soloviool produceert.

Helaas, dit effect mislukte falikant, de enige smet op een wonderschone uitvoering. Want Jaap van Zweden was de problematiek volledig meester en liet zijn viool smetteloos zuiver zingen in alle, dus ook de onmogelijkste liggingen. En Zoltán Peskó is een dirigent die dit soort repertoire uitstekend ligt. Zijn aanwijzingen, gegeven met beide armen hoog boven het hoofd en altijd naar de destreffende groep toe, zijn niet mis te verstaan. Hoogstens vind ik hem wat geëxalteerd. Gideon Kleins pretentieloze Partita kreeg een lading als gold het een belangrijk werk van Bartók en ook Karl Amadeus Hartmanns Eerste symfonie - hoe dwingend de grote vorm ook overkwam - stel ik mij toch minder handenwringend voor. De muziek is al zo'n oceaan aan tranen.