Poetry: met z'n allen jaren samen op de Toverberg

Het dichtersfestival Poetry International is vrijdag in Rotterdam begonnen. Dichter, schrijver en Poetry-deelnemer Benno Barnard doet om de dag verslag van het festival.

Vrijdagmiddag. Ik arriveer in Rotterdam voor het 26ste Poetry International Festival.

Ik was hier voor het eerst in 1983, nog geen dertig, bleu, nerveus, schrijver van één dichtbundeltje, nog geheel in het stadium der belofte. Maar wat een verrukkelijke week werd dat niet! Roezig, tropisch warm, en voor mij een soort rite de passage, een inwijding in de literatuur. Voordrachten! Omhelzingen! Drinkgelagen! Algehele verbroedering, romantisch, vorige-eeuws, bijna een Internationale, bijna het slotkoor van Beethoven .... Wereldvreemd ook, of althans als boven de wereld, als op een berg gelocaliseerd.

En nu, in 1995? Tot mijn grote genoegen is er niets veranderd. Het festival speelt zich in hetzelfde decor af, organiseert vergelijkbare voorleesavonden, zet nog steeds een vertaalproject op, strooit dezelfde drankbonnetjes rond, heeft de nodige deelnemers van toen weer uitgenodigd - hoezee! Op zondag soupeert de hele troep bij dezelfde havenbaron als in 1983, Rotterdam is dezelfde non-existente spookstad als in 1983, en in de lift van Hotel Central knik ik naar een vaag bekend gezicht, net als in 1983.

Ik vergeet meneer Felix haast. Achter de hotelbalie wiegelt meneer Felix, met zijn lachje, zijn gebaartje, zijn maniertje om de sleutel als een vrucht van het sleutelbord te plukken.

“Als ik vragen mag .... U was hier in 1983 toch ook al?”

“Ik was hier in 1969 al,” zegt meneer Felix. Giebeltje. “Dank u wel dat u mij herkent, meneer.”

Vrijdagavond. Het festival begint.

Ik wandel naar de Doelen en meng me goedgemutst onder de honderd gezichten die ik min of meer herken; ik eet in gezelschap van Arie van den Berg, Tsjêbbe Hettinga en Joke van Leeuwen, die ik alledrie helemaal herken; het festival begint, het festival begint...

Het festival begint met Le Bal du Festival, een avond waarop niet gedanst wordt. In plaats daarvan wordt de Buddingh'-prijs voor debuterende dichters uitgereikt aan Joke van Leeuwen. Het is een schrale ceremonie. Daarop volgt een voorleesavond van olympische lengte. Ik zit naast een vooraanstaande journalist en luister.

Beth Yaph uit Maleisië/ Australië.

J.W. Oerlemans uit Holland.

Ik zit. Ik luister.

Nida Kouri uit Israël/ Palestina, olijfkleurige huid, zwarte jurk, fraai gewelfd, poëzie die het midden houdt tussen het Hooglied en een politiek pamflet.

Het is alsof ze met zwoegende granaatappels heur verzen hijgt, zo geaspireerd klinkt dat Arabisch. Ik vind het om de verkeerde redenen heel betoverend. Ik zit. Ik luister.

Het gezicht uit de lift blijkt de Spaanse dichteres Clara Janés te zijn. Hoewel ik enig Spaans ken, versta ik niets, niks, nada. In de vertaling wriemelt het van de maden, blauwe insekten en ander onderaards leven met een metaforische functie, maar mijn concentratie is na een stuk of wat gedichten al te ijl geworden. Ook dat herinner ik me uit 1983.

Ik zit nog steeds, maar begin hinderlijk tegen de journalist te fluisteren. De ijlheid vult mijn hoofd, is als een lichte roes zonder alcohol, een speciale vorm van bewustzijn, waarin ook de tijd ijl lijkt te worden.

Vrijdagnacht. Ik drink wat, praat wat met deze dichter en gene verskunstenaar, knik naar vaag bekende gezichten. Ik heb het gevoel 'dat ik hier eigenlijk nooit ben weggeweest'. Ik ontvouw mijn geestestoestand voor Arie van den Berg, die hier sinds 1983 ook nog steeds is.

“Het Toverberg-gevoel,” zegt hij opgewekt. “Net of je allemaal aan dezelfde ziekte lijdt en al jaren samen in een sanatorium op een berg woont.”