Mokka

Koffie komt oorspronkelijk uit Oost-Afrika. Dat brengt ons op een probleem waar we onmogelijk omheen kunnen. Tal van woordenboeken leiden het woord koffie namelijk af van het Ethiopische district Kaffa of Kefa, dat in onherbergzaam hoogland ten zuidwesten van Addis Abeba ligt. Koffie is hier inheems en groeit er nog steeds overdadig, maar toch verwerpen de meest gezaghebbende studies - waaronder de schitterende Encyclopaedia of Islam - de afleiding van koffie uit Kaffa, ondanks de verleidelijke klankovereenkomst. Het is nu eenmaal niet aangetoond dat Kaffa al koffie exporteerde tegen het einde van de 14de eeuw, toen de islamitische wereld deze drank leerde kennen. Bovendien is het Arabische kahwa - de moeder van alle Europese benamingen voor koffie - al ouder dan de koffie zelf. De vroegere betekenis van kahwa was 'wijn'. Toen de koffie zijn intrede deed, merkte men bepaalde overeenkomsten op met wijn: beide waren stimulerend, eetlustremmend en donker van kleur. Daarom werd de nieuwe drank gezien als een soort 'wijn' en met hetzelfde woord aangeduid, dat oorspronkelijk 'het donkere (brouwsel)' betekende. Koffie is dus geen geoniem, maar mokka - eerste kwaliteit koffie - is dat wel.

Het woord mokka is afgeleid van de havenplaats die vroeger Mocha werd genoemd en tegenwoordig Al Mukhâ. Mocha ligt in Jemen, niet ver van de uiterste zuidpunt van de Rode Zee. Jemen was ooit de belangrijkste producent van koffie, met Mocha als voornaamste uitvoerhaven. Over hoe dat zo gekomen is, bestaan in de Arabische wereld verschillende lezingen.

Het meest verbreid is het verhaal dat koffie zijn bekendheid dankt aan de kluizenaar Omar al-Shadhili (ovl. 1471). Op een kwade dag werd Shadhili uit Mocha verbannen, volgens sommigen omdat hij zich zou hebben vergrepen aan een koningsdochter. Shadhili vluchtte met zijn volgelingen de bergen in, waar hij zich in leven hield met koffiebessen. Zieken die hem kwamen opzoeken genazen dankzij de koffiebessen. Zij zorgden ervoor dat Shadhili mocht terugkeren naar Mocha en gaven bekendheid aan de geneeskrachtige werking van de bessen.

Shadhili geldt in Arabië nog steeds als de beschermheilige van koffieplanters, koffiedrinkers en de eigenaars van koffiehuizen. Algerijnen noemen koffie ook wel shadhiliyye, naar deze heilige.

Overigens brouwden de Arabieren hun koffie indertijd door de hele bes, het vruchtvlees èn de pit (de koffieboon) langdurig te koken. In Koffie in Nederland, een uitstekende studie uit 1994, vergelijken Pim Reinders en Annette de Wit de smaak ervan met warme Cola. Het branden van de bessen gebeurde vermoedelijk pas nadat de koffie in de eerste helft van de 16de eeuw naar Egypte, Syrië en Turkije was uitgevoerd.

In Arabië werd koffie in het begin herhaaldelijk verboden, te beginnen in 1511 in Mekka. De oudst bekende Arabische tekst over koffie is een manuscript uit 1587 van Abd-al-Kadir, waarvan de titel, vrij vertaald, luidt: 'Betoog ten gunste van het legaal gebruik van koffie'. De heersers in Arabië en Turkije hadden vooral bezwaar tegen de koffiehuizen, die werden gezien als broedplaatsen van sociale en politieke onrust. Om diezelfde reden probeerde men in de 18de eeuw in Engeland, Frankrijk en de Nederlanden koffiehuizen aan banden te leggen.

De eerste Europeanen kwamen omstreeks 1570 in aanraking met koffie. Voor zover bekend maakte de Zuidnederlandse plantkundige Carolus Clusius (1526-1609) - aan wie Nederland onder andere de snijboon, de schorseneer en de tulp dankt - in 1574 als eerste melding van de koffieboon. In 1582 beschreef de Duitser Leonart Rauwulf (1540-1596) als eerste hoe de Arabieren koffie dronken. Een vroege Nederlandse vertaling van zijn reisverslag spreekt van een drank “die sij veel agten, 'chaube' genaamd, die schier so swart is als inkt, en in de gebreekene van de maag zeer gezond en dienstig is”. De Italiaanse plantkundige Prosper Alpinus (1533-1617) toonde de Westerse wereld in 1592 als eerste de koffieplant, door hem persoonlijk nagetekend in de tuin van een rijke Turk in Kairo.

De Nederlandse handel op Mocha kwam pas aan het begin van de 17de eeuw op gang, nadat de Spaanse en Portugese hegemonie was doorbroken. In opdracht van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) deed de Haarlemse koopman Pieter van den Broecke in 1616 Mocha aan. Omdat zijn schip zwaar was bewapend, ontving de plaatselijke gouverneur de Hollanders met tromgeroffel, fluitspel en ander eervertoon. Hij vergastte hen op weelderige banketten en hulde de kooplieden in goudbrokaten erekleden. Maar de Hollanders kregen geen toestemming een handelskantoor in Mocha te vestigen, daar ging hij niet over.

Het was de VOC trouwens niet om de koffie te doen, maar om de handel in zijde, suiker en specerijen. Pas in 1628 kocht Job Christiaensz. Grijph als eerste Hollandse koopman in Mocha 15.000 pond ruwe koffie. Die was bestemd voor de Perzische markt. Lange tijd verhandelde de VOC namelijk alleen koffie in Azië. Pas in 1660 achtte de VOC de Europese vraag naar koffie groot genoeg om in de Oost een bestelling te plaatsen. In het najaar van 1661 kwam de eerste koffie in Amsterdam aan en werd de eerste openbare koffieveiling gehouden. Er kwam 21.481 pond 'Mochase caeuwe' onder de hamer. Twintig jaar later zaten de koffiehuizen in Amsterdam al stampvol.

Ondertussen verliep de handel met Mocha zeer slecht. De Hollanders hadden in Mocha te kampen met veel concurrentie en Jemen raakte herhaaldelijk in oorlog. In 1699 brachten de Hollanders de koffieplant over naar Java en vanaf 1711 kwam de aanvoer van 'Javaansche coffy' met de Republiek op gang. Terwijl koffie de hele wereld veroverde, raakte Mocha langzaam in het slop. De haven verzandde en de handel werd naar Aden verplaatst. Al aan het begin van de 19de eeuw werd gemeld dat Mocha er vanuit zee bedrieglijk mooi uit zag; inspectie van nabij leerde dat de stad grotendeels uit ruïnes bestond.