Middenklasse wil niet bij de bobo's horen

'Ik wil Rotterdam opheffen' was de tekst waarmee burgemeester Peper vanaf tienduizenden lantarenpalen zijn stadgenoten toesprak. Het waren listige affiches die de Rotterdamse Stadspartij voor het referendum had opgehangen. De absurde tekst werd versterkt door de glazige, niet-begrijpende blik van de hoogste beroepsbestuurder. De affiche zal later zeker een ereplaatsje krijgen in een boek over de geschiedenis van Rotterdam, al dan niet opgedeeld in gemeenten en opgenomen in een stadsprovincie. 84 procent van de Rotterdammers was tegen de plannen van het eigen gemeentebestuur. Zo groot was de afstand geworden tussen de bobo's en de burger.

En waar ging het om? De opdeling was toch niet meer dan een bestuurlijke truc om de randgemeenten op een nette manier te annexeren? De reus Rotterdam kon toch niet fuseren met dwergen als West-Voorne of Vlaardingen? Die zouden daar nooit mee akkoord gaan. En toch heeft Rotterdam die dwergen nodig. Want Rotterdam heeft een vergrijsde en verpauperde bevolking. Het is een zakencentrum omringd door armoedige volkswijken, gevuld met allochtonen en bijstandstrekkers. Zonder Hillegersberg en Kralingen zou het de armste stad van Nederland zijn.

De basis daarvoor werd gelegd in de vrolijke wederopbouwtijd van de jaren vijftig en zestig. De woningnood - nergens in Nederland zo groot als in Rotterdam - werd door het socialistische gemeentebestuur bestreden met de massale bouw van nieuwbouwwijken voor arbeiders. Het waren huurwoningen, nette huizen gebouwd door woningbouwverenigingen die het beste met hun huurders voor hadden. Koophuizen waren uit den boze.

Geleidelijk aan - het was een proces dat nauwelijks opviel, zo geruisloos ging het - vertrokken de middengroepen uit Rotterdam. Het waren de mensen met een betere baan: leraren, managers, hogere ambtenaren. Voor hen was geen plaats in de stad. In de huizenzee van Alexanderpolder, Pendrecht, Zuidwijk en IJsselmonde waren koopwoningen met een lampje te zoeken. Kralingen en Hillegersberg waren al vol. Dan maar een koophuis in Ridderkerk, Capelle, Barendrecht, Poortugaal of Berkel en Rodenrijs, plaatsen die met een auto redelijk bereikbaar waren geworden.

In Amsterdam heeft zich een dergelijke ontwikkeling voorgedaan, maar zo erg als in Rotterdam is het nooit geworden. Het weinige kader dat de stad bezat werd letterlijk de stad uitgejaagd. Een schepje erbovenop werd nog gedaan in de jaren zeventig en tachtig met de stadsvernieuwing waarbij alle kleine bedrijfjes de stad uitgewerkt werden. Voor vele bedrijfjes een goede reden om de gemeente maar geheel te verlaten.

Als tegenwicht voor de onmondige bevolking die achterbleef, ontwikkelde Rotterdam een krachtig ambtenarenapparaat: geen gemeente in Nederland heeft zoveel ambtenaren per hoofd van de bevolking als Rotterdam. Zonder middenkader moet je ook wel. Zelf krijgt de bevolking niets meer van de grond. De kloof tussen de bobo's en de bevolking is onoverbrugbaar.

En nu wil Rotterdam zijn middenkader weer terughebben. Ze wonen in een ring om Rotterdam heen, ze werken er, ze gaan er uit - hoogst zelden weliswaar - en antwoorden in het buitenland op de vraag waar ze wonen volmondig: Rotterdam. Maar ze zijn blij dat ze niet bij die paupers en hun bobo's horen. De gemeente zal op haar knieën moeten.