Herman van Veen op weg naar het Olympia

Niet bekend

De sfeer is blij verbaasd. Een stampvolle zaal op het Institut Néerlandais vol Franse journalisten. Als zoete kinderen die door de meneer onverwacht mooi worden voorgelezen. De meesten hebben nog nooit van hem gehoord, maar zij voelen al snel dat zij met een fenomeen te maken hebben. Iemand die kan zingen en met zalen omspringen. Op 5, 6 en 7 september gaat hij het weer beproeven in het beroemde Olympia theater, waar Edith Piaf en wie niet triomfen vierden. Nooit te oud voor een doorbraak in Frankrijk.

Een goed gemaakte video-band met een beetje biografie en veel fragmenten van voorstellingen in het Frans, een beetje Nederlands, Engels en Duits, had de stemming er in gebracht. Gefilmde getuigenissen van Shirley MacLaine en Peter Ustinov rekenden af met de laatste twijfel.

Bij gebrek aan faam was de uitwisseling van gedachten soms betrekkelijk basaal. Waar woont u, meneer Van Veen? “Ik woon in Soest. Dat is dertig kilometer van Amsterdam. Dat is een prachtige stad. Ik ben er amateur boer, dat is heerlijk.” Bent u veel thuis? “Ik doe ieder jaar ongeveer honderd voorstellingen. Een jaar heeft ongeveer 350 dagen, dus ik ben vaak thuis.”

Deze week speelt Van Veen vijf keer in New York, in het Sylvia and Danny Kaye Playhouse. Duitsland, België en Oostenrijk volgen. Voor deze Fransen omschrijft hij moeiteloos zijn voorkeur voor het Franse chanson. “Het is een super-traditie, sinds de middeleeuwen. In Amerika is het showbizz, een industrie. In Europa is het zachter, sympathieker, maar ook moeilijker uit te voeren voor een groot publiek. In Duitsland is er ook een grote traditie. Schubert en Schumann schreven ook chansons. Ik zie mezelf als een voortzetting van de commedia dell'arte, in nieuwe kleren.”