Heerlijk omlaag glijden

Architecten zullen niet gauw toegeven dat hun scheppingen modieus zijn, toch laten gebouwen zich gemakkelijk dateren. De jaren negentig kennen hun eigen architectuur- mode. Een paar stijl- kenmerken ervan kunnen nu al worden gecatalogi- seerd. Deze week: de hellingbaan.

Voor de twintigste eeuw, toen er nog geen liften bestonden, waren er twee manieren om hoogteverschillen in gebouwen te overbruggen: trappen en hellingbanen. Welke van de twee de oudste is, is niet te zeggen. Waarschijnlijk zijn ze even oud. In ieder geval komen ze bijvoorbeeld bij oude, Griekse tempels al naast elkaar voor. Wel zijn hellingbanen veel minder gebruikelijk dan trappen als overbrugging van hoogteverschillen. De oorzaak is duidelijk: hellingbanen nemen veel meer ruimte in dan trappen en zijn dus duurder en onhandiger.

Toch maakt de hellingbaan in de Nederlandse bouwkunst de laatste jaren een opmerkelijke opgang door. Jo Coenen, dit jaar winnaar van de BNA-kubus, is er zelfs verzot op. Hij voorzag een villa in Oosterwijk van een lange hellingbaan langs een muur, iets dat hij op nog grotere schaal herhaalde in het Tilburgse kantoor voor dezelfde klant. Ook in zijn Nederlands Architectuurinstituut aan de rand van het Rotterdamse Museumpark heeft Coenen een hellingbaan langs blinde muren aangebracht. Het is er een die een paar keer een wending maakt om de verschillende verdiepingen met elkaar te verbinden en het hellingoppervlak is een beetje glad, zodat instituutbezoekers met schoenen met leren zolen heerlijk naar beneden kunnen glijden. Voor sommigen is dit laatste een bezwaar, een bezwaar dat nog sterker geldt voor het gebouw aan de andere kant van het Museumpark: de Kunsthal van Rem Koolhaas. Hier is de hellingbaan tot organiserend principe verheven. Het gebouw wordt doorsneden door een hellingbaan die het museum met de Westzeedijk verbindt, en wie de Kunsthal binnengaat moet eerst een steile helling op of af om de tentoonstellingsruimten of garderobe te bereiken.

Ook het vorig jaar geopende Beelden-aan-Zee-museum in Scheveningen, ontworpen door Wim Quist, heeft een hellingbaan. En in de recente gebouwen van Herman Hertzberger, wiens werk de laatste jaren een spectaculaire wending heeft genomen, duiken eveneens hellingbanen op. Zijn theatercomplex aan het Spui in Den Haag en zijn Bredase bibliotheek en centrum voor kunst en muziek hebben er een.

Hellingbanen zijn een elitaire mode: in sociale woningbouw zijn ze niet of nauwelijks te vinden, daarvoor zijn ze waarschijnlijk te duur. Het is ook een deftige mode, die vooral voorkomt in gebouwen met een plechtige, culturele bestemming. Zo plaatste Wiel Arets een zeer lange betonnen hellingbaan in zijn verder Spartaanse Academie van Beeldende Kunsten. Maar ook in pretarchitectuur komen ze wel voor: Sjoerd Soeters ontwierp een hellingbaan in zijn Circus, een casino in Zandvoort, en ook het casino in Amsterdam heeft er van de Architektenkombinatie een gekregen.

Hellingbanen hebben altijd al bestaan, maar er is toch één twintigste-eeuwse architect wiens werk de huidige hellingbaanontwerpers heeft geïnspireerd: Le Corbusier. Deze Zwitsers-Franse 'architect van de eeuw' heeft zijn hele leven iets gehad met hellingbanen: ze komen voor in zijn beroemde villa's uit de jaren twintig, zoals de Villa Savoye, in zijn gebouwen uit de jaren dertig, zoals het Tsentrosojoez in Moskou, en in zijn naoorlogse werk, zoals het Center for the Visual Arts in Boston. Voor Le Corbusier waren hellingbanen dan ook meer dan een alternatief voor trappen. Hij gebruikte ze om de bezoekers en bewoners een 'promenade architecturale' naar en in zijn gebouwen te laten maken. Het is ook op deze manier dat architecten als Coenen en Koolhaas hellingbanen gebruiken.