Een groene boekhouding lost de milieuproblemen nog niet op

Milieufactoren moeten worden meegeteld bij de berekening van het nationaal produkt, aldus bepleit de Club van Rome in haar jongste publikatie. Dat is een goede zaak, vindt Arjo Klamer, maar we moeten niet denken dat we daarmee onze problemen oplossen. De Club van Rome heeft aan overtuigingskracht ingeboet.

De Club van Rome is er weer met een boek. Het is moeilijk voor te stellen dat het al weer meer dan twintig jaar geleden is dat haar vorige bliksem als bij heldere hemel insloeg. In het boekje van toen, Grenzen aan de groei, liet de Club ons weten dat wij de natuurlijke bronnen in een razendsnel, zelfs exponentieel groeiend, tempo opmaakten. De grafiekjes waar dat boekje vol mee stond, raakten de eerstejaars student die ik toen was, en ik begreep dat ik me om het milieu zorgen moest maken. Het einde van de wereld leek nabij.

Nu appelleert de Club, met Wouter van Dieren als haar bevlogen Nederlandse woordvoerder, wederom aan mijn geweten. De natuur telt ook mee is zo mogelijk nog meer verantwoord dan Grenzen aan de groei. De boodschap is even dwingend als toen: zonder drastische ingrepen en zonder een radicale verandering in onze levensverwachting gaat het fout. Maar ik word deze keer nauwelijks geraakt. Hoe interessant en belangwekkend dit boek ook is, de Club heeft na al die jaren aan overtuigingskracht ingeboet.

Bij de presentatie van De Natuur telt ook mee benadrukte Van Dieren het economisch karakter ervan. Gelijk had hij, want de argumentatie is een kolfje naar de hand van economen. Waarom hij, naar eigen zeggen, met economen in de clinch ligt, begrijp ik dan ook niet. Net zoals economen wil de Club dat we goed rekenen en dat houdt in dat we steeds zorgvuldig de balans opmaken van wat we zoal aan rijkdommen hebben. De Club wil vooral dat we de natuurlijke rijkdom in de totaalbalans opnemen - denk maar eens aan de aardgasvoorraad of de ozonlaag. Ik kan me niet voorstellen dat een econoom principieel bezwaar heeft tegen dit voorstel. Hoe vollediger onze nationale boekhouding is, hoe beter dat is.

De belangrijkste consequentie van deze ingreep betreft het bruto nationaal produkt (BNP), de grootheid die aangeeft hoeveel een economie geproduceerd heeft. Rekenen we de Nederlandse aardgasvoorraad als deel van onze nationale rijkdom dan kunnen we de opbrengsten van de aardgaswinning niet meer meetellen in het BNP, zoals momenteel gedaan wordt, omdat er een daling van onze rijkdom tegenover staat: die opbrengsten moeten dus weggelaten worden uit de berekening van het BNP.

De consequenties voor het netto nationaal produkt gaan verder. De nationale boekhouder (het CBS in Nederland) trekt de kosten van het gebruik van fysiek kapitaal (gebouwen en machines) van het BNP af om het netto produkt te bepalen, maar houdt dus geen rekening met de afschrijvingen op het natuurlijke of ecologische kapitaal. De schade aan de ozonlaag die de verbranding van het aardgas veroorzaakt, moet bijvoorbeeld in mindering worden gebracht. Niet dat dit inzicht nieuw is, maar de Club van Rome heeft gelijk dat ze erop hamert. Een groene boekhouding is beter dan een vuile.

Een goede boekhouding zal evenwel onze problemen niet oplosssen, zoals de Club het doet voorkomen. De BNP heeft dat ook niet gedaan. Wees nu eerlijk: verandert uw leven echt wanneer u hoort dat het Nederlandse BNP met een percentje minder is gegroeid dan verwacht werd en wordt u mismoedig als u hoort dat de Belgen een hoger BNP per hoofd van de bevolking hebben dan wij? Met een groen BNP en NNP zal dat niet anders zijn.

De Club rekent ons nu voor dat de groei in het groen BNP voor tal van landen veel minder goed is dan de groei in het vuile BNP. Misschien dat dat sommige mensen aan het denken zet en meer aandacht voor het milieu teweeg brengt. Dat zou mooi zijn. Maar het effect zal niet duurzaam zijn. Vooral economen zullen met het groene BNP doen wat de Club nu met het vuile BNP doet. U kunt ervan op aan dat er weinig van dat getal over zal blijven. Daarvoor is de berekening ervan te bewerkelijk. Een technologische uitvinding die de waarde van ons aardgas decimeert zou bijvoorbeeld een fikse aanpassing vergen, niet alleen in de berekening van het huidige groene BNP, maar ook dat van voorafgaande jaren. Menselijke ingenuïteit en natuurlijke verrassingen (zoals een onverwacht hoog absorptie van koolstofdioxyde door de oceaan) maken een schatting van de waarde van het ecologisch kapitaal en daarmee de kosten van het verbruik daarvan bijna ondoenlijk.

Een groen BNP zal ook niet een veel betere graadmeter van onze welvaart zijn dan een vuil BNP, zoals de Club stelt. Het zegt uiteindelijk weinig over de kwaliteit van het leven, want dat gaat toch om meer dan hoge produktie en een schoon milieu. We hebben meer aan een gevarieerde reeks indicatoren van onderwijs, gezondheid, sociaal milieu, cultuur, mobiliteit, veiligheid en natuurlijk ook het milieu. Zo'n reeks is minder gemakkelijk te hanteren in een politiek debat, maar dus ook moeilijker te misbruiken.

Hoe economisch de visie van de Club is geworden, blijkt verder uit haar erkenning van de rol die markten kunnen spelen in de verbetering van het milieu. Het is een zaak de prijs goed te krijgen. En dat komt onder meer neer op goed rekenen. Reken de volledige kosten van de schade die de varkensmest aan het milieu toebrengt door aan de varkenshouders, en de varkens zijn weg voordat ze een knor hebben kunnen geven. Daarmee is het mestprobleem in één klap opgelost. Er rest alleen één probleem, want uiteindelijk draaien de varkenseters onder ons op voor de kosten en deze mensen zouden het mestprobleem wel eens voor lief willen nemen zolang dat de prijs van het varkensvlees laag houdt.

De vraag is dus hoeveel de mensen over hebben voor een schoon mileu. U en ik zijn kwaad op vernietiging van het bos in de Amazone. Maar hoeveel hebben we er voor over? Honderd gulden? Duizend gulden? En wie van ons wil de auto laten staan, zodat iemand in Peking eens kan rijden zonder extra schade aan de ozonlaag te veroorzaken?

Het gebrek aan opofferingsgezindheid ten behoeve van het milieu zou hypocriet kunnen zijn. Een andere mogelijke reden is twijfel met betrekking tot de onheilsboodschap van Van Dieren en de zijnen. Laatst zwom ik nog in Lake Superior in Canada dat ooit een ecologische ramp dreigde te worden. Het was sprankelend schoon. De economische gevolgen van het broeikasteffect blijken volgens recente berekeningen mee te vallen en daarbij is de vraag of dat effect wel optreedt, want de aarde - of is het de oceaan? - schijnt nu meer koolstofdioxyde te absorberen dan voor mogelijk werd gehouden. En laatst wist iemand me te vertellen dat, in tegenstelling tot wat ons momenteel wordt voorgehouden, het zuinig omgaan met water juist slecht is voor milieu, omdat het vervuilde water dan in geconcentreerder vorm bij de zuiveringsinstallaties komt. Iedere keer voel ik me weer een beetje bedonderd en geloof ik minder in de religie van de milieubeweging.

Het milieu zal er best erg aan toe zijn, maar omdat de Club mogelijke twijfel negeert, wordt haar boodschap minder geloofwaardig. Om dezelfde reden geloof ik Jehova's Getuigen ook niet wanneer zij aanbellen om het einde van de wereld te melden. Ze zullen best een beetje gelijk hebben. Maar niets is zeker.