Donor kan geen aanspraak maken op 'zijn' helft tweeling

Zaterdag maakte een echtpaar uit Gelderland bekend dat het door een fout bij reageerbuisbevruchting (IVF) een tweekleurige tweeling hadden gekregen. Zulke fouten komen zelden voor.

ROTTERDAM, 19 JUNI. De verwachte onrust bleef uit. Uit voorzorg had het Academisch Ziekenhuis in Utrecht 1.500 brieven rondgestuurd aan 'IVF-ouders' waarin werd uitgelegd wat er bij de reageerbuisbevruchting precies was misgegaan. Welgeteld kwamen er bij ziekenhuis vijf telefoontjes binnen. Vier gingen niet over het geval zelf, één heeft geresulteerd in een uitnodiging voor een gesprek.

Het Gelderse echtpaar was in het voorjaar van 1993 door een gynaecoloog uit Arnhem naar de Utrechtse universiteitskliniek doorverwezen voor 'in vitro fertilisatie'. De eicellen waren in Arnhem al uitgenomen bij de vrouw, het laboratorium in het AZU hoefde er slechts de zaadcellen van de man aan toe te voegen. Bij die ingreep liep het fout. Een wegwerppipet werd twee keer gebruikt en de zaadcellen van een eerder behandelde creoolse man bevruchtte een van de twee eicellen die bij de Gelderse vrouw werden teruggeplaatst. Het echtpaar kreeg een tweekleurige tweeling.

Inmiddels is de werkwijze in Utrecht veranderd. Analisten werken per IVF-behandeling aan een andere tafel en doen er niet meer dan een tegelijk. Ook is het protocol aangescherpt en is er een dubbele controle van alle handelingen. Minister Borst (volksgezondheid) heeft de geneeskundige hoofdinspectie vorige week opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar die werkwijze in alle IVF-centra. De inspectie zal met de beroepsvereniging van gynaecologen overleggen of aanscherping van het protocol nodig is.

De afgelopen tien jaar zijn volgens de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) 5.000 tot 8.000 kinderen via de IVF-techniek geconcipieerd. Dat er in een uitzonderlijk geval iets mis gaat bij IVF kan niet volledig worden uitgesloten, zegt NVOG-Woordvoerder dr. C.A.M. Jansen. In de ruim tien jaar dat er ervaring is met IVF zijn er ooit verwisselingen van embryo's geweest in Nijmegen en Utrecht. In het belang van het kind is in het laatste geval nooit ruchtbaarheid gegeven aan het geval. Ook in Eindhoven is ooit na terugplaatsing gebleken dat er sprake was van een verwisseling. In overleg met de inspectie werden die zaken nooit in de openbaarheid gebracht. In al deze gevallen is er sprake van een welhaast uniek toeval. Bij het Gelderse echtpaar had de vrouw - begin dertig - een kans van vijftien procent op zwangerschap na terugplaatsing van een eicel. Om de kans te vergroten tot 30 procent werden er twee eicellen teruggeplaatst. Uiteindelijk bleken ze beide te zijn aangeslagen op de baarmoederwand.

De kans dat een wegwerppipet twee maal wordt gebruikt door een vergissing is bij het huidige protocol te verwaarlozen, maar in dit geval bleek daarin zaad te zijn achtergebleven van de creoolse man, hetgeen de toevalsfactor alleen nog maar kleiner maakt. Een tweeling van wie één kind donker is en de ander blank komt wel eens vaker voor, maar dan gelden daarvoor andere oorzaken dan in het geval van de Gelderse ouders. Zo beviel in 1969 een Duitse vrouw van een donker en een blank kind die op een dag waren ontstaan door gemeenschap met zowel een blonde Duitse man als met een in Duitsland gelegerde Amerikaanse zwarte soldaat. Beide mannen ontkenden negen maanden later hun vaderschap en de vrouw verloor jurische procedures daarover. Een dergelijk geval is ook in de Verenigde Staten bekend.

NVOG-woordvoerder Jansen betwijfelt of met het aanscherpen van de richtlijnen de Utrechtse calamiteit voorkomen had kunnen worden. “Bij alle protocollen blijft echter de zwakste schakel in de keten de menselijke factor. Deze zal nimmer geheel uitgesloten kunnen worden. Essentieel in al het werken is gemotiveerdheid, betrokkenheid, verantwoordelijkheidsgevoel en teamgeest.”

De werkgroep IVF van de NVOG zal in overleg met de geneeskundige inspectie nagaan of en welke richtlijnen dienen te worden veranderd ter uitsluiting van enig risico. “Het belangrijkste gegeven is dat het is gebeurd en de belangrijkste vraag is nu hoe hiermee wordt omgegaan”, zegt Jansen. “Door hulpverleners, de omgeving, maar vooral ook door de ouders. Hoe prozaïsch dat ook klinkt: voorop staat daarbij het belang van het kind. Te allen tijde dient te worden voorkomen dat het ongewild gewenste kind het kind van de rekening wordt.”

Jansen: “Er zijn studies waaruit blijkt dat zes procent van alle via natuurlijke wijze verwekte kinderen genetisch niet van de eigen partner zijn. Hoewel in incidentele gevallen de partner hiervan op de hoogte is, is aannemelijk dat een groot deel van die partners hieromtrent in onwetendheid verkeert. De enige mogelijkheid hierin is een actieve rol die wordt toebedacht aan de moeder.”

Jansen: “De reactie van de omgeving op een blank paar met een of meer gekleurde kinderen is niet voorspelbaar, maar uit ervaring met adoptiekinderen blijkt dit als zodanig voor de kinderen geen blijvende psychische schade op te leveren, onder voorwaarde dat de ouders zelf beide kinderen als volwaardig accepteren. Uit het interview in Het Parool blijkt gelukkig dat beide ouders zielsblij zijn met de beide kinderen en dat hun grootste angst zelfs was dat een van beiden hun ontnomen zou kunnen worden.” ”

Met zijn zaad doet de donor afstand van zijn rechten op het kind, zo blijkt uit een rechtszaak waarin de Hoge Raad in 1991 uitspraak deed. Een man die zijn zaad ter beschikking had gesteld van een lesbisch paar, verzocht om een omgangsregeling met het kind. De Hoge Raad wees dit af. De band tussen donor en kind valt buiten de termen van het recht op bescherming van het familieleven dat is erkend als een van de rechten van de mens.

In de meeste gevallen blijft de donor overigens anoniem en is de vraag veeleer of een kind recht kan hebben op kennis van zijn identiteit. Behalve met het oog op erfelijk overdraagbare aandoeningen kan dit ook van belang zijn voor de psychische identiteit van het kind. Van oudsher wordt echter zwaar getild aan het recht op privacy van de donor. In juni 1993 is een wetsvoorstel ingediend dat voorziet in het bewaren van donorgegevens voor tenminste tachtig jaar door een aparte stichting. Sommige gegevens zullen in geanonimiseerde vorm kunnen worden verstrekt, bij gegevens op naam is voorzien in een belangenafweging indien de donor toestemming weigert of is overleden.