Verwarrende partijstrijd

M.J. VAN GENT: 'Pertijelijke Saken'. Hoeken en Kabeljauwen in het Bourgondisch-Oostenrijkse tijdperk

523 blz., Hollandse Historische Reeks 22, 1994, ƒ 90,-

In Holland, in de veertiende en vijftiende eeuw, domineerden de Hoeken en de Kabeljauwen het politieke en maatschappelijke leven. Hun partijnamen zouden zijn ontstaan uit spotliederen die in de strijd werden gezongen. De kabeljauwse partij was gecentreerd rond de adellijke families Van Egmond, Van Arkel, Van Zwieten, Van Heemskerk en anderen. Hun tegenstanders noemden zich naar de 'gehoekte' haken waarmee de kabeljauw werd gevangen. De aanvoerders waren de edelen uit de families Van Brederode, Van Duvenvoorde, Van Polanen en Van Heemstede en anderen.

De tegenstellingen kwamen voor het eerst aan het licht na het kinderloos overlijden van de Hollandse graaf Willem IV op 26 september 1345 in de slag bij Warns tegen de Friezen, niet ver van Stavoren. Daarmee vervielen leenrechtelijk de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen en de heerlijkheid (West-)Friesland aan de leenheer, de keizer van het Duitse rijk. Dat was op dat moment Lodewijk IV van Beieren, die gehuwd was met Margaretha van Avesnes, de oudste zuster van de zojuist gesneuvelde graaf. Keizer Lodewijk beleende haar met deze lenen in april 1346. In september van dat jaar droeg zij het gezag over aan hun dertien jaar oude zoontje Willem met de bepaling dat hij als graaf zou opvolgen bij haar overlijden.

Door de wisselvallige politiek van moeder Margaretha - die begin 1349 afstand van Holland en Zeeland deed ten behoeve van haar zoon omdat zij toch nooit in deze landen kon zijn, maar daarvoor wel een grote som van de inwoners eiste, het volgend jaar haar abdicatie herriep en alle maatregelen van haar zoon ongeldig verklaarde - vormden zich de beide partijen. De Kabeljauwen onder aanvoering van de heer van Egmond met de meeste Hollandse steden steunden zoon Willem, de Hoeken met Brederode en Van Duvenvoorde kozen voor zijn moeder. Over het ontstaan van deze Hoekse en Kabeljauwse twisten, die uit deze ontwikkelingen voortvloeiden over de periode tot 1360 verscheen in 1982 een uitgebreid gedocumenteerd onderzoek van de hand van H.M. Brokken.

De nieuwe Leidse dissertatie van M.J. van Gent gaat over de ontwikkelingen tussen beide partijen vanaf de moeilijkheden die ontstonden bij de dood van graaf Willem VI in 1417. Deze graaf had slechts één dochter: Jacoba van Beieren. Zij werd door de Hoeken als gravin erkend, nog steeds onder 'aanvoering' van de Van Brederodes. Hun Kabeljauwse tegenstanders, waar de familie Van Egmond nog steeds de belangrijkste rol speelde, erkenden Jacoba's oom, en na diens dood Jacoba's tweede echtgenoot Jan van Brabant, die de graafschappen verpandde aan hertog Philips de Goede van Bourgondië, neef van Jacoba. Tegelijkertijd was hij ook erfgenaam van Jan van Beieren. Hij had zo naast Jacoba de meeste rechten op de graafschappen.

Exempel

In de burgeroorlog die ontstond steunden de Kabeljauwen Philips van Bourgondië en erkenden hem als ruwaard van Holland en Zeeland en van West-Friesland, dat wil zeggen: als de feitelijke machthebber naast gravin Jacoba. Deze burgeroorlog eindigde met de zogeheten Zoen van Delft van 3 juli 1428. In deze verzoening werden dagelijks bestuur en rechtspraak in Holland en Zeeland geregeld.

Deze regeling werd de basis van Hollands staatsbestel dat in de vijftiende eeuw tot stand kwam en onder de Republiek zou voortbestaan. Tevens werd in de Zoen van Delft bepaald dat Jacoba niet meer mocht huwen zonder toestemming van neef Philips, van haar moeder Margaretha van Bourgondië, tante van Philips, en van de Hollandse en Zeeuwse edelen en steden. Ook zou zij moeten afzien van haar appèl bij de Curie van Rome tegen de geldigheidverklaring van haar huwelijk met Jan van Brabant die door Jacoba werd aangevochten. Als Jacoba dit proces namelijk zou winnen zou de verpanding van haar graafschappen door Jan aan Philips ongeldig zijn geweest. Omdat Jacoba haar appèl in Rome desondanks voortzette en met de inmiddels tot 'gouverneur' benoemde Frank van Borselen zou willen huwen, dwong Philips haar afstand te doen van het landsbestuur en dat geheel aan hem over te dragen. Op 12 april 1433 deed Jacoba, geheel vrijwillig naar zij zei, afstand van haar rechten en reeds de volgende dag liet Philips de Goede zich in Den Haag op het Binnenhof huldigen door de edelen en de steden als graaf van Holland en Zeeland.

In de Zoen van Delft was tevens het gebruik van partijnamen en verwijten of beschuldigingen over zaken, die waren gebeurd, verboden. “Als iemand toch zou spreken van Houck of van Cabeljau zou hij daarvoor bestraft worden op een wijze die voor ieder ander een exempel, een voorbeeld ter waarschuwing, zou zijn.” Dat daarmee de partijschappen en de partijstrijd niet verdwenen waren, blijkt uit het boek van Van Gent. Voor het eerst is de geschiedenis van de twisten na 1433 tot en met de jaren negentig van de vijftiende eeuw minutieus behandeld. Soms zo minutieus dat het ten koste van de leesbaarheid is gegaan. In dertien hoofdstukken worden per periode de gebeurtenissen chronologisch en per streek of stad behandeld. Omdat de auteur heeft gepoogd een min of meer totaalbeeld van de geschiedenis te geven waarbinnen de partijdigheden zich afspeelden heeft hij, juist door die periodisering, het de lezer niet gemakkelijk gemaakt. Ik zal daarvan een voorbeeld geven.

Processen

De Bourgondische vorsten hadden voor hun kostenverslindende hofleven en politiek voortdurend gebrek aan middelen. Eén van de mogelijkheden om zich die te verschaffen naast de gewone inkomsten was om een extra belasting te verzoeken aan de onderdanen. De naam van dergelijke belastingen was dan ook bede. De onderdanen - in Holland: adel en steden vertegenwoordigd in de Staten van Holland, konden een dergelijk verzoek in principe afwijzen. In de praktijk werd altijd over de hoogte van het gevraagde bedrag onderhandeld. Een ander veel gebruikt middel om aan gereed geld te komen was geld lenen met allerhande publieke functies als rentmeester, houtvester, tollenaar, baljuw en schout als onderpand, of deze functies aan de hoogstbiedende te verpachten. Onder de Bourgondiërs werd het gewoon functies die reeds verpacht waren, nogmaals te verpachten voor een hoger bedrag of aan een politiek welgezinder kandidaat. Meestal ging dat zelfs samen. Dat leidde vanzelfsprekend tot vele processen.

Zo hield Jacob Pot vanaf 1457 het schoutambt van Dordrecht in pacht. Hij had aan hertog Philips verschillende grote leningen verstrekt in ruil voor de toezegging dit ambt tot 1477 te mogen vervullen. In 1462 had Karel de Stoute in Dordrecht de Kabeljauwen aan de macht gebracht omdat zij beloofden te zullen meebetalen in een nieuwe tienjarige bede. Toen de Kabeljauwen eenmaal aan de macht waren vonden zij de aanslag te hoog en weigerden mee te betalen. Eind 1467 liet Karel door commissarissen van het Hof van Holland met hulp van schout Jacob Pot de stadsregering vernieuwen. Dezen stelden uitsluitend Hoeken aan die Karel hadden beloofd snel een regeling te treffen voor de achterstallige bedebetalingen. Die regeling kwam tot stand eind 1468 met de belofte om een substantieel bedrag in de lopende bede mee te betalen. In ruil daarvoor mocht Dordt extra accijnzen (een soort BTW) op bier heffen en op turf, de belangrijkste volksdrank en brandstof. Voor die toestemming moest weer een onbekend bedrag aan 'steekpenningen en handgelden' betaald worden aan allerlei ambtenaren van het centrale Bourgondisch gezag. Ondanks de toezeggingen aan Jacob Pot verpachtte Karel in 1469 het schoutambt aan de nieuwe Hoekse stadsregering met de toestemming een eigen kandidaat aan te stellen mits deze een hogere pachtsom zou betalen dan Jacob.

Toen er moeilijkheden met de afbetaling van de leningen ontstonden, weigerde Jacob het ambt te verlaten waarop het stadsbestuur hem liet arresteren op verdenking dat hij brieven van de kapelaan van de heer Van Egmond zou hebben achtergehouden die een Kabeljauwse bedreiging voor de stad vormden. Het schoutambt werd hem ontnomen. Nadat hij evenwel van het ten laste gelegde was vrijgesproken, begon Jacob een proces tegen dertien Hoekse bestuurders, aan wie het zittende stadsbestuur beloofde alle onkosten van het proces te zullen betalen. Jacob eiste het schoutambt terug, en een schadevergoeding voor gederfde inkomsten en voor de aantasting van eer en goede naam.

Bij de onderhandelingen over een nieuwe bede in 1472/1473, de Grote Bede genoemd, waren de Hoekse bestuurders klaarblijkelijk niet toeschietelijk waarop opnieuw nieuwe bestuurders werden geïnstalleerd en Jacob Pot in het schoutambt werd hersteld. De nieuwe schepenen waren allen Kabeljauws. Zij werden aangesteld met de bepaling dat zij niets tegen de Hoekse bestuurders zouden ondernemen. De Kabeljauwen zetten echter enige Hoeken gevangen op verdenking van ongeoorloofde transacties met de stedelijke financiën, klaarblijkelijk de steekpenningen voor het akkoord en de proceskosten voor de Hoekse aangeklaagden in het proces tegen Jacob Pot. Het proces werd voor het Hof van Holland voortgezet tot eind 1474 en in beroep bij het Parlement van Mechelen tot 1475. Bij de dood van Karel de Stoute in 1477 week Jacob Pot uit naar Antwerpen, nog voordat de Hoeken in Dordrecht de macht grepen en een Hoek als opvolger aanstelden.

Investeerder

Deze geschiedenis van Jacob Pieterszoon Pot, die “(mogelijk) uit het buitenland afkomstig” was (pag. 73), is binnen bijna honderd pagina's terug te vinden op acht ervan, verdeeld over vijf hoofdstukken. De lezer raakt daardoor het spoor bijster. Bovendien wordt een werkelijk antwoord op de vraag naar de 'gezindheid' van Jacob eigenlijk niet gegeven. Was hij nu Hoeks of Kabeljauws? Hooguit impliciet, daar hij schielijk vertrok in 1477 vóórdat de Hoeken weer aan de macht kwamen. Maar tevoren had hij ook de Hoeken aan de macht geholpen in 1467, zo meldt Van Gent, die hem echter in of na 1467 gevangen zetten op beschuldiging van contacten met Kabeljauwen. Wellicht was hij geen van beide doch slechts een handige investeerder, uitsluitend uit op winst.

Het werk mist elke andere structuur dan een chronologische behandeling in korte episoden, waarbij de behandeling over het ontstaan en het verloop van de twisten vóór 1417 verwerkt is in de slotbeschouwing. Het valt aan te raden daarmee te beginnen bij lezing van het gehele werk. Voor lezers die slechts in een beperkte periode geïnteresseerd zijn of in plaatselijke geschiedenis zal dat niet nodig zijn. Voor hen is het werk, zij het met wat gezoek via een hulpzaam register, nuttig. Het nut wordt nog verhoogd door bestuurslijsten van de grafelijke instellingen en van de steden Dordrecht, Leiden, Gouda, Hoorn en Schoonhoven.