Taai bankiershuis; De Rothschilds in Frankrijk

HERBERT R. LOTTMAN: The French Rothschilds. The great banking dynasty through two turbulent centuries

384 blz., geïll., Crown Publishers 1995, ƒ 65,60

Het dagblad Le Monde publiceerde op 30 oktober 1981 op de voorpagina een emotionele brief van baron Guy de Rothschild. “Een jood voor het Vichy-bewind, een paria onder Mitterrand, voor mij is het genoeg geweest”, schreef de president van de Banque Rothschild in een open brief aan volk en regering. “Tweemaal in je leven je bezit van de grond af aan opbouwen is te veel.” Tegenover Der Spiegel verklaarde hij kort daarna: “De Rothschilds zijn het beu om in Frankrijk te werken, waar de regering elke veertig jaar hun bezit vernietigt.”

Guy de Rothschild had alle reden voor zijn aanklacht. Enkele dagen eerder had de nieuwe linkse regering, aangetreden na de verkiezing van François Mitterrand tot president, na een dertien dagen durend debat besloten tot nationalisering van negenendertig banken, waaronder de Banque Rothschild. Met een omzet van 1,3 miljard franc (huidige waarde 2,6 miljard franc), spaartegoeden van omgerekend 6,8 miljard franc en belangen in de olie, scheepvaart en mijnbouw behoorde de bank tot de top-10 van de Franse spaarbanken en de Rothschilds tot de rijksten van Frankrijk. Ter compensatie kreeg de familie 700 miljoen franc met de mededeling dat haar naam nooit meer mocht worden gebruikt voor een eventueel nieuwe bank.

De nationalisatie kwam niet geheel onverwachts: de deplorabele toestand van de Franse economie had al geruime tijd geleid tot sterke geruchten, bovendien had Mitterrand tijdens zijn campagne geen geheim gemaakt van zijn economische plannen. Zijn overwinning, op 10 mei 1981, had de koers van het aandeel Rothschild met 40 procent doen dalen. Guy's zoon David had in de maanden die volgden een laatste poging gedaan om het familiebezit te redden door de bank te scheiden van de industriële belangen, maar de tijd bleek te kort voor een dergelijke rigoureuze ingreep. De nationalisatie maakte een (voorlopig) einde aan de prominente rol die de Rothschilds ruim anderhalve eeuw op het economische toneel van Frankrijk hadden gespeeld. Herbert R. Lottman, biograaf van Camus, Flaubert en Colette, beschrijft die rol boeiend in zijn boek The French Rothschilds.

Rood schild

De geschiedenis van de Franse Rothschilds begon toen James de Rothschild in 1814 zijn bank liet registreren bij het Parijse Handelstribunaal. Geboren in Frankfurt als zoon van bankier Mayer Amschel - die zijn uithangbord (een rood schild) tot achternaam verhief - werd James naar Frankrijk gestuurd om daar de familiebelangen te behartigen. Zijn broer Nathan werd in Londen gestationeerd. De Rothschilds waren op dat moment al een begrip in Europa. Als bankiers van het Weense hof verzorgden Mayer Amschel en zijn zoons investeringen voor adellijke cliënten en geldtransporten door heel Europa. In 1863 werd het vermogen van de Rothschilds geschat op 3,5 miljard franc (tegenwoordige waarde).

Ook James maakte fortuin in zijn nieuwe vaderland. Al het eerste jaar werd hem het kapitaal van Lodewijk XVIII toevertrouwd. In 1835 investeerde James - inmiddels in de adelstand verheven - als eerste in de spoorlijn van Parijs naar St. Germain-en-Laye. De familie verkeerde in de hoogste politieke en artistieke kringen: Napoleon III plantte in 1862, ter herinnering aan zijn bezoek aan James' kasteel in Ferrières, een ceder en ook Rossini, Ingres en Heinrich Heine behoorden tot de intimi. Als James in 1868 sterft, loopt half Parijs uit voor zijn begrafenis. Koningen en keizers sturen afgevaardigden en er is een condoléance-telegram van de Amerikaanse president.

De Rothschilds spelen een gedenkwaardige rol bij de verkoop van het Suez-kanaal aan de Britten. Volgens de overlevering wordt Alphonse de Rothschild (opvolger van zijn vader James) in 1875, zes jaar na de opening van het kanaal, benaderd door de bewindvoerder van Egypte met het bericht dat deze zijn meerderheidsaandeel in het kanaal wil verkopen. Alphonse haast zich naar de Franse minister van financiën, die zegt geen besluit te kunnen nemen zonder het parlement te raadplegen. Alphonse laat weten dat daar geen tijd voor is en wendt zich tot zijn neef Lionel, bankier in Londen. Die neemt contact op met premier Disraeli, die besluit tot overname van de controle over het kanaal. De deal zou Disraeli tegen koningin Victoria hebben doen opmerken: “I am of the opinion, Madam, that there never can be too many Rothschilds.”

Niet iedereen is die mening toegedaan. Aan het eind van de negentiende eeuw vormen de Rothschilds een belangrijk doelwit in de golf van antisemitisme die Frankrijk overspoelt. Zo schrijft Edouard Drumont in zijn boek La France juive, gefinancierd door de ook nu nog populaire schrijver Alphonse Daudet: “Het staat vast dat de familie Rothschild, die nu drie miljard franc schijnt te bezitten, dat geld niet had toen ze in Frankrijk arriveerde; ze vond niets uit, ontdekte geen mijnen en bracht geen land in cultuur. Die drie miljard franc zijn dus afgenomen van de Fransen zonder dat ze daarvoor iets hebben teruggekregen.” En als Alphonse in 1892 tijdens een jachtpartij door een schot het zicht aan één oog verliest, schrijft La libre Parole: “De koning der joden heeft lood in zijn ogen gekregen. Joden zouden eens op moeten houden met de gentleman uit te hangen”.

Antisemitisme

Het toenemende antisemitisme - een ontvoering van Alphonse wordt verijdeld, hij ontvangt een bombrief die een medewerker ernstig verwondt en tot zijn dood in 1905 wordt zijn huis dag en nacht door de politie bewaakt - vormt geen belemmering voor verdere expansie van de bank. De familie investeert in de Franse, Italiaanse en Spaanse spoorwegen, bouwt forse belangen op in de mijnbouw (onder andere De Beers) en zet samen met Koninklijke Olie in 1902 de Asiatic Petroleum Company op voor de exploitatie van olie in de Kaukasus.

Kenmerkend voor de machtsverhoudingen in de zakenwereld van die tijd zijn de woorden van president Sir Henri Deterding van Koninklijke Olie: “Als we samenwerken met de Rothschilds, zal iedereen weten dat we de toekomst hebben, maar zonder de naam Rothschild kunnen we niet.” Zeven jaar later verkopen de Rothschilds hun belang aan Shell in ruil voor aandelen, omdat olie niet tot hun 'core-business' behoort en de Rothschilds met de tsaar in onmin raken over de jodenvervolgingen in Rusland. Een vooruitziende blik: in 1917 worden de olievelden genationaliseerd. Shell zit met lege handen, de Rothschilds daarentegen zien hun 'Olies' in de loop der jaren fors in waarde stijgen.

Onder het bewind van Edouard, de zoon van Alphonse, timmerde de bank nauwelijks aan de weg. De bank dreef de eerste decennia van deze eeuw vooral op haar enorme vermogen en glorieuze verleden. Een van de oorzaken van de stagnatie was het feit dat ze zich in 1898 had teruggetrokken van de Parijse beurs, nadat beursgenoteerde bedrijven wettelijk verplicht gesteld waren inzage te geven in hun boeken. Langzaam maar zeker namen concurrenten als de Banque Lazard de rol van de Rothschilds over.

In de jaren dertig deden voor het eerst niet-joden hun intrede in de hoogste regionen van de bank aan de Parijse Rue Laffitte. De eerste is René Mayer, de latere minister van financiën, premier en hoofd van de EGKS. Ook Georges Pompidou bekleedde een hoge functie bij de Banque Rothschild totdat hij door De Gaulle werd benoemd tot premier.

Zoals steeds in haar lange geschiedenis gaf de familie ook bij het naderen van de oorlog veel geld aan goede doelen. Er werd een fonds opgericht voor Duitse slachtoffers van het nazisme en in 1939 opende Edouards vrouw een opvanghuis voor kinderen wier ouders na de Kristallnacht in een concentratiekamp waren omgekomen. De Rothschilds zelf komen de oorlog wonderbaarlijk goed door. In 1940 wijkt Edouard, met een tas vol juwelen, uit naar de Verenigde Staten. De achtergebleven familieleden worden van hun nationaliteit beroofd, mogen hun vak niet langer uitoefenen en vluchten eveneens het land uit. De kunstcollectie, waaronder Rembrandts en Vermeers, wordt afgevoerd naar Duitsland. De enige die de bezetting niet overleeft is Lili, de katholieke vrouw van Philippe de Rothschild. Ze waant zich veilig in Frankrijk en blijft achter als haar man naar Engeland vlucht. Ze wordt opgepakt en komt om in Ravensbrück.

Nationalisatie

Na de oorlog richt de familie zich op de industrie, in het bijzonder op de exploitatie van grondstoffen. De jaren '60 en '70 brengen echter weinig voorspoed. Het plan om de bank toegankelijker te maken voor particulieren loopt uit op een mislukking: de toekomst van de bankwereld ligt in fusies, overnames en corporate finance, niet bij de kleine spaarder. Ook de onafhankelijkheidsgolf in de Derde wereld en de oliecrisis spelen de bank parten. Als Mitterrand zijn nationalisatieplannen bekendmaakt, neemt de Banque Rothschild een bescheiden vijftiende plaats in op de ranglijst van Franse banken en is de winst marginaal.

De schok van de nationalisatie is groot, maar allesbehalve vernietigend. Guy vestigt zich in Amerika waar hij de investeringsmaatschappij New Court Securities omvormt tot de bank Rothschild Inc. en Robert Maxwell tot klant mag rekenen. In Frankrijk wordt al snel erkend dat de regering al te bruut is geweest in haar drang tot economische hervorming. In 1986 krijgen Guy's zoon David en zijn neef Eric toestemming van de nieuwe rechtse regering om hun bank Paris-Orléans Gestion om te dopen in Rothschild & Associés Banque. De bank wordt - heel symbolisch - betrokken bij de privatisering van Parisbas.

Langzaam maar zeker herstellen de Rothschilds van de klap. David de Rothschild krijgt nevenfuncties bij het lederconcern Louis Vuitton en het champagnehuis Veuve Cliquot Ponsardin, zijn neef Edmond bezet functies in uiteenlopende instellingen als de Israel General Bank, De Beers, Club Med en Hachette. Beroemde klanten melden zich wederom bij de Rothschilds: begin jaren '90 speelt de bank een leidende rol bij de overname van Jacobs Suchard door Philip Morris, regelt zij de schulden van Donald Trump en vertegenwoordigt zij de crediteuren van het failliete vastgoed-imperium Olympia & York. Thans adviseert de bank, met filialen in onder meer Engeland, Zwitserland, Duitsland en Spanje, de Franse regering bij de privatisering van Renault.

Ook de wijnbusiness krijgt een nieuwe impuls na 1981. Waren de wijngaarden in de Bordeaux - de aankoop van Château Mouton dateerde uit 1853, die van Château Lafite uit 1868 - altijd een nevenactiviteit, de nationalisatie dwingt de Rothschilds een zakelijke blik op hun wijnen te werpen. Niet zonder resultaat: behalve in Mouton-Cadet en Lafite-Rothschild doet de familie tegenwoordig in Armagnac en bezit zij wijngaarden in Sauternes en Pomerol.

Lottman houdt er van begin tot eind de vaart in en dat is geen geringe prestatie als een boek grotendeels draait om personen die nog uitsluitend in historische documenten te vinden zijn. De combinatie van anekdotes en historische context houdt de lezer geboeid. Het enige wat Lottman te verwijten valt, is dat we niets lezen over fouten, verwijtbaar gedrag en andere negatieve aspecten die zich onvermijdelijk moeten hebben voorgedaan in ruim anderhalve eeuw zakelijke geschiedenis. Wat dat betreft lijkt Lottman in de val te zijn getrapt waar zoveel enthousiaste biografen in terecht komen: ze worden een beetje verliefd op hun onderwerp.