Studenten uit minderheidsgroepen moeten zich dubbel bewijzen; De Klas van '94

Vorig jaar werden in deze krant zes eindexamenkandidaten geportretteerd. Succesvolle allochtonen bezig aan een stille opmars door de instituties. Na hun eerste studiejaar zochten we ze weer op. Het gaat ze goed, maar de drang om zich 'aan te passen' is gegroeid, net als de druk om te presteren. Mogen ze falen? Mogen ze gelijktijdig Nederlands en Turks of Iraans zijn? In gesprek met nieuwe Nederlanders.

Ze zijn er inmiddels aan gewend: de wenkbrauwen die omhoog gaan als zij vertellen dat zij rechten, medicijnen, elektro-techniek, boekhouden en journalistiek studeren. En dat het propaedeusejaar nog goed gaat ook. Dat werd niet van ze verwacht, want ze zijn allochtoon. Zelf vinden ze het heel gewoon dat zij studeren; ze zijn optimistisch over hun kansen. Het liefst willen ze met rust gelaten worden en niet steeds gewezen worden op hun positie van 'migrantenkind in Nederland'. Maar het gebeurt toch. En dus wordt het onvermijdelijk dat hun culturele identiteit zich opdringt in het dagelijks leven.

Voor Dennis Kong (21) was rechten studeren in Leiden “volstrekt normaal”. Zijn broers en zussen hadden immers ook gestudeerd. Toch was het even wennen. Hij kwam van de middelbare school in Den Haag, waar 90 procent van de leerlingen allochtoon was. Zelf is hij van Chinees-Surinaamse herkomst. Plotseling zat hij op de rechtenfaculteit tussen de blanke jongens - “heel wat anders dan de mensen in de Schilderswijk waar ik woon” - die de sociëteitsborrel van gisteren bespreken. Hij voelt zich tussen hen niet thuis en gaat dus om met de paar Chinese studiegenoten die er zijn. “Dan hebben we het over onze Aziatische jeugdcultuur: Japanse tekenfilms, computers en commercie.” Zijn propaedeuse is in zicht. “Ik moet nog twee saaie, want niet filosofische tentamens zoals privaat recht halen en dan heb ik mijn P”, meldt hij luchtig.

De Iraanse Mandana Radh (21), sinds vier jaar in Nederland, studeert geneeskunde in dezelfde stad. Studeren werd van haar verwacht. Haar ouders zijn beide farmaceut en haar zusje zit op het VWO. Zij kwam van dezelfde school als Dennis, maar hoefde niet te wennen in Leiden. “Ik voel me op mijn gemak tussen mijn blanke studiegenoten”, zegt ze. Hoewel ze 's avonds niet uit mag en dus niet naar feestjes kan, heeft ze genoeg te bespreken met haar blanke vriendinnen: de studiestof en hùn ervaringen met jongens. “Mijn studiegenoten behandelen mij alsof ik één van hun ben”, zegt zij. Pas bij de lesgroep Seksuologie dit jaar viel het echt op dat zij niet Nederlands is. “Toen de docent alle hormonale fases tijdens het vrijen beschreef, werd ik ontzettend rood. Nederlanders zijn zo open! Iedereen begon te wijzen. 'Mandana wordt rood!', riepen ze. Vreselijk.” Ze wordt weer rood.

Rachid El Hattachi (21) volgt “met gemak” het propaedeusejaar elektro-techniek aan de T.U. in Delft. Bij de vraag of hij zichzelf als studerende allochtoon bijzonder vindt, raakt hij geïrriteerd. “Als een Marokkaan dat doet, is het ineens bijzonder”. Zijn sociaal leven speelt zich af in Amsterdam waar hij bij zijn ouders woont, voetbalt en zo nu en dan studeert. “Amsterdam is nu eenmaal leuker dan Delft”, vindt hij. Naar de TU gaat hij uitsluitend voor “de meest noodzakelijke colleges en tentamens”. In het rommelige, maar bruisende kantoortje van de Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen (SIB) aan de Prinsengracht in Amsterdam checkt Khalid Berdouni (22) of er nog post voor hem ligt. Hij woont sinds z'n tiende in Nederland. Omdat hij vice-voorzitter is, is hij ook 'oppiepbaar'. Wie zijn antwoordapparaat belt, krijgt in vlekkeloos Nederlands zijn semafoonnummer te horen. Hij is een druk bezette student. Khalid neemt wisselbaden tussen het milieu van actieve studenten, die zich bezighouden met internationale betrekkingen, de rechtenfaculteit aan de Universiteit van Amsterdam en zijn oorspronkelijke Marokkaanse vriendenkring in Amsterdam Oud-West. De Turkse Gülsah Dogan (20) gaat in Tilburg op donderdag uit met haar (Nederlandse) vrienden van de School voor de Journalistiek. En het weekend brengt ze door met vrienden van verschillende nationaliteiten in Enschede.

De Turkse Sevgi Türker (18), die afgelopen jaar trouwde met Salim (21), verkeert niet in verschillende milieus zoals Khalid en Gülsah. Ze woont in een nieuwe wijk in Dordrecht, dichtbij haar schoonfamilie. Buiten op de stoep voor haar huis zitten bij mooi weer zo'n tien Turkse vrouwen in een kring. Sevgi groet ze altijd vrolijk, maar bemoeit zich verder niet met hen. “Ze houden alles in de gaten”, lacht ze. Voor sociale contacten op de MEAO heeft ze geen tijd. “Ik heb het druk genoeg met mijn vriendinnen uit Amsterdam, waar ik opgroeide, mijn familie en schoonfamilie.” Ze haalde in één jaar de MEAO en een middenstandsdiploma in Dordrecht, maar is het leren voorlopig zat. Ze wil nu een baan zoeken als administratief medewerkster. “En mocht dat gaan vervelen, dan volg ik later wat cursussen erbij.”

Trots

Over het algemeen is de groep allochtone studenten gelukkig met hun leven en positie in de samenleving. Ze hebben alle kansen gegrepen en vertellen daarover alsof het vanzelfsprekend is. De één is trots op zichzelf, de ander laconiek, maar bijzonder vinden ze hun prestaties geen van allen. Dennis vindt dat hij nog beter zou kunnen: “Ik ben toch een keer blijven plakken op het VWO en heb nog niet al mijn rechtententamens”. Mandana is trots, ook al mag ze dat volgens haar van Nederlanders niet zeggen. “In het Iraans zijn er twee woorden voor trots zijn. Een heeft een negatieve lading en de ander een positieve. Ik bedoel de positieve manier, maar in het Nederlands is er maar één woord voor. Je mag in Nederland kennelijk niet trots zijn op jezelf.” Khalid ziet zijn rechtenstudie als een fase in zijn algemene ontwikkeling. Het grootste gedeelte van zijn tijd steekt hij in zijn werk als vice-voorzitter van de studentenvereniging SIB, waarvoor hij deze week naar de Verenigde Naties in New York gaat. Hij straalt: “Ik heb toch weer iets bereikt.”

Maar toch zitten de vooroordelen die in Nederland bestaan over allochtonen hen dwars. Al willen ze het niet, het negatieve beeld over hun groep steekt in hun leven voortdurend de kop op. Met name in kranteberichten over migranten en integratie, die ze alle zes altijd meteen lezen. Wat bedoelen politici met 'aanpassen' vragen ze zich af. “Het is zo'n vaag begrip. In hoeverre moet een mens zich aanpassen?” Ze spreken de Nederlandse taal en doen mee in de Nederlandse samenleving. Moeten we soms ook nog bloemkool gaan eten?, luidt hun vraag. Khalid wilde vorig jaar nog bewijzen dat Marokkanen ook wetenschappelijk onderwijs kunnen volgen. Nu vindt hij het vervelend dat hij als het “goede voorbeeld” geldt. Het gevolg is dat hij onder druk staat altijd te moeten presteren om de reputatie van Marokkanen te verbeteren. Dennis wil vooral “low-profile” blijven, niet opvallen op college, vertelt hij. “Ik ben weleens bang als ik een domme vraag stel tijdens een werkgroep, dat de anderen denken: zie je wel, die spleetoog snapt er niets van.” De twee studenten vermoeden dat zij onbewust een lage verwachting van allochtonen veronderstellen bij veel Nederlanders. De druk om “voorbeeld allochtoon” te zijn, wordt dan groot.

Ook Gülsah heeft het gevoel dat ze niet mag falen, omdat in haar omgeving het imago van Turken dan weer een deuk zou kunnen oplopen. “Toch denk ik soms - het is gewoon mijn leven, wat maakt het voor anderen uit of ik presteer of niet?” De Iraanse Mandana heeft helemaal niet het gevoel dat zij zich moet bewijzen tegenover Nederlanders, hooguit voor “domme” Nederlanders “zoals Janmaat”. “Ik vind het wel vervelend voor andere allochtonen, dat de algemene verwachting van ons laag is, maar zelf lijd ik er niet onder. Ik laat mijn bloeddruk niet omhoog gaan wegens opmerkingen van politici die kiezers willen winnen”, zegt Mandana. Rachid is als enige gelaten over de politieke druk zich aan te passen. “Ik doe toch wat ik wil”, zegt hij stellig. Over de opkomst van extreem-rechtse partijen maakt hij zich niet druk. “Het hoort bij de tijd”, vindt hij.

Gastvrijheid

Culturele verschillen met Nederlanders zijn zo nu en dan een belemmering. Mandana vertelt met een zucht hoe graag zij op kamers zou gaan en volledig zou meedoen aan het studentenleven. Maar dat willen haar ouders niet. De cultuur van opstandigheid waaraan haar Nederlandse leeftijdsgenoten gewend zijn, kan zij niet overnemen want “zonder mijn familie zou ik niemand hebben in Nederland.” Gülsah weet nog dat zij vroeger een keer huilend naar huis liep, toen de moeder van een vriendinnetje waar ze op bezoek was, zei: “Vooruit Gülsah, naar huis. Het is zes uur, wij gaan eten.” Zij verbaast zich nog steeds over het gebrek aan gastvrijheid. “Ik was echt gekwetst en ben daar nooit meer over de vloer gekomen. Hoe kun je iemand rond etenstijd naar huis sturen?”

De studenten worden dan ook niet graag 'gewone Nederlander' genoemd. Sterker nog: alle studenten trekken een vies gezicht bij de suggestie. Mandana voelt zich Iraans en Nederlands, wat goed samen kan gaan volgens haar. Het zou haar niet in dank worden afgenomen door haar Iraanse familie als zij zich al te 'Nederlands' zou gaan gedragen. “Ik zou geen kort rokje kunnen dragen zoals Nederlandse meisjes”, legt ze uit. Dat ze Iraans is voelt ze ook wanneer haar medestudenten een hoogleraar tutoyeren. “Ik heb zo veel respect voor zo'n docent, hoe kun je tegen zo iemand je zeggen? Nederlandse studenten zeggen dan: maar hij krijgt er toch voor betaald?”

Rachid zegt een Marokkaan in Nederland te zijn, niet meer en niet minder. “Ik ben en doe wat ik wil en zoek naar geen enkele identiteit of gedragscode. Ik drink niet, maar niet omdat dat verboden is in de Islam. Ik wil zelf dat ik gezond blijf. Ik ben gewoon Rachid en zal me aan niemand aanpassen als ik het nut er niet van inzie.”

Dennis voelt zich (daar is hij sinds twee jaar achter) “een bewoner van de Schilderswijk”. “In China voel ik me niet thuis, in Leiden evenmin en Suriname ken ik niet. In mijn wijk voel ik me wel thuis omdat zij multicultureel is. Ik ben altijd blij als ik daar terugben.” Met Suriname gaat het slecht, dus op die herkomst hoef je volgens Dennis niet trots te zijn.

Liefde

“Als ik een relatie zou hebben met een buitenlands meisje, met dezelfde dubbele achtergrond als ik, zou ik waarschijnlijk snel op haar zijn uitgekeken”, weet Khalid. Hij heeft een Nederlandse vriendin, niet in de laatste plaats omdat hij van verrassingen houdt. Gewild of niet, de dubbele, enkele, of voor sommigen zelfs ondefinieerbare, culturele identiteit van de studenten speelt een rol in de liefde. Sevgi is bewust met een Turkse man getrouwd. “Nederlanders eten anders, luisteren naar andere muziek en hebben een andere cultuur”, zegt Salim. Een Nederlands meisje leek hem niets. Dennis heeft een Chinese vriendin en verwacht later met een Chinese vrouw te trouwen. “Niet omdat ik geen Nederlandse meisjes wil, maar volgens mij vallen zij niet op mij”. Bovendien zouden zijn ouders op zijn minst vreemd opkijken als hij met een Nederlands meisje thuiskwam, zegt hij. Ook Mandana, die nog nooit een vriendje heeft gehad, kan zich niet voorstellen dat een Nederlander een relatie met haar zou willen, hoewel zij soms wel op blanken valt. “Voor een Nederlandse jongen is het waarschijnlijk geen aantrekkelijk idee, dat hij uiteindelijk met mij móét trouwen,” vreest ze. “Een Nederlander gaat eerst samenwonen, om te kijken of een relatie werkt, zonder de verplichting te gaan trouwen. Maar ik zou niet met iemand willen samenwonen van wie ik niet zeker was dat hij mij ten huwelijk zou vragen.”

Rachid zal met een Islamitisch meisje trouwen, de kans is groot dat ze Marokkaans zal zijn, zegt hij. Alleen Gülsah weet het niet. Tot nu toe heeft ze voornamelijk Turkse vriendjes gehad, maar dat ze ooit met een Nederlander zal uitgaan, sluit ze niet uit. “Zolang ze niet burgerlijk zijn is het goed. Ik wil geen bekrompen Turk en geen bekrompen Nederlander zijn.” Een toekomst in een huis-met-tuin in een buitenwijk, met drie kinderen die Algemeen Beschaafd Nederlands spreken, ziet zij in elk geval niet voor zich. Dat zou te 'typisch Nederlands' en saai zijn.

Soms, als het even niet mee zit, denkt Mandana terug aan haar leven in Iran. “Als ik aan de oorlog met Irak denk, kan alles hier alleen maar meevallen.” Vrienden zeggen tegen haar dat zij “zo veel heeft meegemaakt”. Maar als zij daarmee doelen op haar integratieproces in Nederland, hebben ze het mis, vertelt ze. “Dat was makkelijk. Iedereen heeft me hier zo geholpen. Het leven is hier een feest vergeleken bij het bestaan van een vrouw in Iran.” Volgens Mandana heeft haar verleden in Iran en de omschakeling op de Nederlandse cultuur haar gesterkt. Gülsah voelt zich door haar achtergrond ook sterker dan anderen. Met name dan andere Turkse leeftijdgenotes. “Ik kom voor mezelf op, in tegenstelling tot veel Turkse meisjes.” De kritiek vanuit de conservatieve delen van de Turkse gemeenschap op haar make-up, roken en omgang met jongens, schudt zij nu makkelijker dan vroeger van zich af. Toch probeert ze nog steeds te voorkomen dat er over haar gesproken wordt. Zo wil ze bijvoorbeeld niet dat de Turkse gemeenschap in Enschede weet dat zij een huis deelt in Tilburg met twee jongens. “Die jongens zijn mijn vriendjes niet, maar conservatieve Turken zouden het toch afkeuren.”

Voor Khalid staat vast dat zijn afkomst een rol zal spelen in zijn toekomstige beroep: “Ik ontkom er waarschijnlijk niet aan dat ik me als jurist zal inzetten om allochtonen te helpen. Ik heb nou eenmaal affiniteit met hun sociale positie. Probleem is dat het een rem kan zijn op jezelf, omdat je dan bij die groep blijft hangen. Misschien kies ik later wel voor een 'gewoon' Nederlands bestaan of wil ik Neêrlands grootste schrijver worden.” Rachid en Sevgi hebben niet zo'n drang om zich later sterk te maken voor allochtonen, hoewel zij het wel mooi zouden vinden als Marokkaanse of Turkse jongeren in hun voetsporen treden. Rachid: “Maar dat moet uit henzelf komen.” Salim, de man van Sevgi, heeft die drang wel. Hij is sociaal-juridische dienstverlening gaan studeren omdat hij later oudere migranten wil adviseren over hun rechtspositie. Sevgi bedenkt zich: “Misschien kan ik ook hier en daar helpen met belastingadviezen of moeilijke brieven lezen en schrijven.” Ook Dennis zou later graag allochtonen adviseren over hun rechten. “Soms moet ik lachen omdat ik het Nederlandse rechtssysteem straks beter ken dan de meeste Nederlanders zelf.” Mandana ziet zichzelf als arts niet in de bres springen voor speciaal allochtonen. Gülsah zou graag zien dat er meer allochtonen in de media werkten. Om te beginnen, zijzelf. “Ik maak me ook druk om de beeldvorming over migranten. Zij zijn net zo divers als Nederlanders. Natuurlijk moeten negatieve berichten worden geplaatst, maar ook positieve. Net zoals er over Nederlanders positieve verhalen verschijnen.” Zij merkt dat bijna alle verhaalonderwerpen die zij kiest voor haar studie over allochtonen gaan. “Om goed te integreren als journalist moet ik ook met andere ideeën komen. Anders mag ik later alleen maar allochtonen-klusjes opknappen.” Uiteindelijk wil zij geen journalist worden uit zendingsdrang, maar voor haarzelf, Gülsah.

Er is veel vraag naar elektro-technici, dus ook naar mij, zegt Rachid. “Als ik geen werk vind in Nederland, kan ik altijd elders aan de slag - in de Verenigde Staten of zo.” Mandana weet uit ervaring dat buitenlanders moeilijker werk vinden dan Nederlanders. Haar ouders zijn beide farmaceut en hebben na vier jaar in Nederland nog geen werk op hun vakterrein. Haar eigen kansen zijn volgens haar echter beter: “Ik spreek goed Nederlands en heb mijn opleiding in Nederland gevolgd, dat scheelt.” Ook Khalid ziet zijn kansen rooskleurig in, want hij heeft op een goede Nederlandse school gezeten en een Nederlandse studie gevolgd. Zijn zwager is in Marokko ingenieur geworden en maakt nu schoon op Schiphol.

Een baan krijgen omdat zij een allochtone vrouw is, zou Gülsah vreselijk vinden. “Ik wil worden aangenomen om mijn kwaliteiten en niet voor de 5%-regeling zoals bijvoorbeeld bij de overheid”, zegt zij. Ze is niet bang voor positieve discriminatie, maar hoopt er ook niet op. Khalid vindt positieve discriminatie van weinig betekenis, evenals de wet die werkgevers verplicht het aantal allochtonen dat zij in dienst hebben, te registreren. “Er moet wel wat aan de achterstand van migranten worden gedaan, maar dat moet van twee kanten komen. Zij moeten de mogelijkheden krijgen en tevens zelf initiatief nemen.” Dat lijkt het devies van alle zes studenten. Ze willen zelf voor hun toekomst werken. Ze vinden zichzelf niet bijzonder, studie of geen studie, ambitie of geen ambitie, Nederlands of niet. “Uiteindelijk willen we gezien en serieus genomen worden zoals we zijn”. Dennis, Mandana, Gülsah, Salim, Sevgi, Rachid en Khalid - de lichting '94, niets mee aan de hand.