Spelletje

Ik loop met mijn hond naar de stad en het regent. Op het jaagpad gaan we aan de kant voor een man op een fiets. “Koos”, roept hij me toe, “het wil maar niet zomeren.” De schrik slaat me om het hart. Dit soort voorvallen wordt schering en inslag en in plaats van eraan te wennen, voel ik me er steeds onbehaaglijker onder. Jeetje, denk ik dan, maar dát was de bedoeling niet!

Goed, ik loop met mijn hond naar de stad en het regent. Ik moet eens kijken of je ergens een aardig spel nieuwe speelkaarten kunt krijgen. Patience. Toen mijn geduld op was heb ik de oude kwijtgemaakt. Nu steekt het toch weer de kop op. Ik geloof dat ik nog het meest van plan ben me deze zomer grondig te gaan vervelen.

In het Bredius is een vrouw bezig de geitjes te voeren. De dieren staan met hun voorpoten tegen het hek en die vrouw geeft ze brood met haar linkerhand. Ik wil niet overdrijven, maar ik zie het wel en ik heb het gevoel dat er iets gebeurt wat niet hoort. Waarom eigenlijk?

Omdat ik mijn hond heb geleerd alleen hapjes aan te nemen uit de rechterhand. Flauw spelletje. Maar hij had het de eerste keer al door en daarna zijn we er nooit meer vanaf gekomen.

Dus ik loop naar de stad, het regent, ik fluit mijn hond en vraag me af of hij het ook heeft gezien, of hij niet met even veel recht kan zeggen dat het een spelletje is dat hij mij heeft geleerd.