Shell en Britten houden elkaar in gijzeling

ROTTERDAM, 17 JUNI. Vol venijn had de minister van milieuzaken in het conservatieve kabinet van John Major het bij de Noordzeeconferentie in Esbjerg vorige week in een microfoon van een commercieel tv-station gesist: “Wij laten ons door Greenpeace niet de les lezen.” Brittania rules the waves. Niet Greenpeace. Dit was een politieke kwestie, een compromis was niet mogelijk.

Dat de Britten zich door nota bene een handjevol boze Duitsers zouden laten verleiden om Shell plotseling te verbieden de Brent Spar in zee te dumpen, was even waarschijnlijk als een koerswijziging van het concern zelf over het gewraakte olielaadstation. Want al staat Shell onder zware druk van actievoerders en consumenten een streep te zetten door de hele operatie, dat ook daadwerkelijk zo ver laten komen betekent prestigeverlies, grote onrust in het bedrijf èn ruzie met de Britse regering, die zich aan het afzinken heeft gecommitteerd en zich niet in zijn hemd wil laten zetten door een paar benauwde zakenlieden. Niet voor niets hadden de Britten stand gehouden bij de afgelopen Noordzeeconferentie, met hun verzet tegen een algeheel verbod op het dumpen van olie-installaties in de Noordzee. Zo houden Shell en de Britse regering elkaar in gijzeling.

De comedy of errors die Shell deze dagen opvoert en waarop gretig door een zichzelf vaak machteloos voelende milieubeweging wordt gereageerd, wordt ook nog eens getekend door een merkwaardig soort naïviteit, vermoedelijk met de bedoeling de zaken niet verder te verknallen dan is gebeurd. Zo riep directeur J. Slechte van Nederland enkele dagen geleden dat niet Shell, maar de Britse regering zijn zienswijze moest wijzigen om de oliemaatschappij weer aan de onderhandelingstafel te krijgen. Maar dat was op geen enkele wijze consistent met de werkelijkheid, zoals Shell UK in alle onschuld gisteren nog eens duidelijk maakte in een persbericht. Niet de Britse regering, maar Shell had na “drie jaar onderzoek” besloten dat het laten afzinken van de Brent Spar in twee kilometer diep water de beste oplossing was voor het milieu. De Britse regering had het 'advies' van Shell overgenomen.

Shell had twee opties om van het olielaadstation af te komen laten onderzoeken: sloop aan land en afzinken in diep water. De eerste optie was peperduur, maar zou een ongekend staaltje techniek hebben opgeleverd, gezien de bijzondere aard van de Brent Spar als drijvende 'boei' voor opgepompte olie. Van het gevaarte is er maar één gebouwd, verreweg de meeste constructeurs van offshore-materiaal zeggen het veilig te kunnen slopen. Maar volgens Shell was het grootste gevaar bij deze optie dat de cylinder die Brent Spar is en nu verticaal in het water drijft, zou breken bij het kantelen naar een horizontale positie voor het vervoer naar land. Hierdoor zouden de zware metalen (waaronder 16 kilo van het zeer giftige cadmium) en licht radioactieve stoffen waarmee de 'boei' vervuild is in het relatief ondiepe water van de Noordzee terecht komen.

Shell koos voor het afzinken en wie de voordelen van deze optie naast sloop aan land zet, begrijpt waarom: er hoeft niets gekanteld, niets gesloopt en niets schoongemaakt te worden en het kost nog eens niets tot heel weinig ook. Shell had uitgezocht aan welke wetten en verdragen voldaan moest worden om de dumping van de Brent Spar legaal te maken en daar was keurig, punt voor punt, aan gewerkt.

Een van de belangrijkste verdragen voor het zeegebied waarin de Brent Spar staat en wordt afgezonken, is de zogenoemde Ospar-conventie uit 1992. Hierin wordt landen toegestaan per keer te bekijken wat de beste oplossing is voor een verouderd olieplatform. Afzinken is mogelijk, mits het object niet al te zeer vervuild is met bepaalde stoffen. Het is op basis van deze Ospar-conventie (genoemd naar de Oslo en Parijs-Commissies voor het zeemilieu) dat de Britten de overige Noordzeelanden informeerden over het voornemen de Brent Spar in zee te laten verdwijnen. Dat de landen daar formeel geen acht op sloegen, is niet verwonderlijk, want de OSPAR-conventie is nog niet in werking getreden. De Britten zeggen overigens het afzinken van de Brent Spar op economische gronden toe te staan, maar daarin wordt niet voorzien in de thans nog geldende Oslo Conventie uit 1972.

De Britten houden vast aan afzinken en Shell is verdeeld over de te volgen koers. Shell UK, de Britse werkmaatschappij die voor het afzinken gekozen heeft en de regering-Major daarvoor heeft meegekregen, ziet met lede ogen hoe Shell Nederland en Shell Duitsland de ene 'softe' verklaring na de andere afleggen over de Brent Spar, kennelijk in de hoop dat hun woorden de Britse collega's milder zullen stemmen. Maar zo werkt het niet bij Shell.

In de multinational regeert de consensuspolitiek. In de groepsraad van het in hoge mate gedecentraliseerde bedrijf worden beslissingen door iedereen gesteund. Shell is daar trots op. Maar in tijden van crisis kan dit beleid het bedrijf opbreken. Shell UK is tegen een ander standpunt inzake de Brent Spar en dus verandert er niets, hoeveel benzinepompen in Duitsland en Nederland ook in vlammen opgaan.