'Politiek toont geen interesse voor ongelijkheid'

AMSTERDAM, 17 JUNI. Sociale ongelijkheid geniet ten onrechte weinig belangstelling van de politiek, zelfs van links. Ouderlijk milieu moge dan steeds minder bepalend zijn voor iemands school- en beroepsloopbaan, de ongelijkheid in inkomen en vermogen neemt de laatste jaren toe. Bovendien blijkt de ongelijkheid in deelname aan concerten, schouwburg- en museumbezoek buitengewoon hardnekkig.

Dit zei J. van Kemenade, socioloog en commissaris van de koningin in Noord-Holland, gisteren op een congres ter gelegenheid van het verschijnen van Verschuivende ongelijkheid in Nederland, onder redactie van J. Dronkers en W. Ultee. Rode draad van dit overzichtswerk over de ontwikkeling van gelaagdheid en mobiliteit in deze eeuw is dat de Nederlandse samenleving steeds opener wordt. De redacteuren zien het moderniseringsproces als voornaamste motor van deze ontwikkeling. Verschillen tussen moderne geïndustrialiseerde landen zijn marginaal, ook tussen landen met een zo verschillende politieke geschiedenis als Hongarije, Nederland of de Verenigde Staten.

Die betrekkelijke irrelevantie van de politiek bestreed Van Kemenade (PvdA), die bekend staat als optimistisch over de maakbaarheid van de samenleving. Kijk maar naar wat er sinds de ineenstorting van het sovjetregime in St. Petersburg en Moskou gebeurt, zei hij. Het was dan ook niet die irrelevantie die Van Kemenade aanvoerde als verklaring voor de desinteresse van de politiek voor sociale ongelijkheid. Hij zocht die eerder in het streven naar korte-termijnsuccessen, ingegeven door de open kiezersmarkt. Ook is de groep burgers die het materieel goed heeft steeds groter geworden door de groeiende welvaart. Die groep, die ogenschijnlijk niet zo veel belang heeft bij vermindering van de ongelijkheid, wordt electoraal steeds aantrekkelijker als oriëntatiepunt voor politici.

Een probleem voor de politiek - een dat zeker bijdraagt aan die betrekkelijke irrelevantie - is dat beleidsmaatregelen vaak onbedoelde effecten hebben. Neem het vaak gesignaleerde gebrek aan technici en de maatregelen om jongeren te stimuleren een technisch vak te gaan studeren. In een van de deelsessies op het congres kwam aan de orde dat er niet zozeer te weinig technici zijn om alle technische functies te vervullen, maar dat veel technici in niet-technische beroepen gaan werken, waardoor het toch moeilijk kan zijn een technische vacature te vervullen. Technici verdringen mensen met andere opleidingen.

De vraag is waardoor dat succes van technici wordt veroorzaakt. De onderzoekers hadden daarop geen duidelijk antwoord. Ultee suggereerde dat verschillende opleidingsrichtingen in feite verhullen dat het verschillende opleidingsniveaus zijn. Ingenieurs zullen dat ongetwijfeld beamen. Het ziet er in elk geval steeds meer naar uit dat richting een belangrijker opleidingskenmerk wordt dan niveau. Waarom technici vaak uitwijken naar andere sectoren lijkt beter verklaarbaar: technische beroepen worden in Nederland relatief slecht betaald. De managementfuncties waarin ze buiten de technische sector terechtkomen worden veelal beter beloond.

Het kiezen voor een opleiding is ten dele een defensieve strategie: men volgt onderwijs omdat anderen dat ook doen. Als dan blijkt dat je met een technische opleiding betere kansen hebt, ook in niet-technische beroepen, dan pakken zich bezien uit man/vrouw-perspectief donkere wolken samen, aldus J. van Doorne-Huiskes, hoogleraar emancipatievraagstukken aan de Erasmusuniversiteit. Vrouwen kiezen immers weinig voor een technische opleiding.

Bezien vanuit de optiek van vrouwen is dat overigens een rationele strategie, betoogde T. van der Lippe, samen met Van Doorne-Huiskes auteur van het hoofdstuk over man/vrouw-verschillen. Vrouwen met een sociaal-wetenschappelijke opleiding blijken namelijk gemiddeld meer te verdienen dan vrouwen met een technische opleiding, ook wanneer wordt gecorrigeerd voor opleidingsniveau, ervaring en dergelijke. Wellicht speelt mee dat vrouwen díe een technische opleiding kiezen meestal bouwkunde of industrieel ontwerpen doen, studies met relatief slechte arbeidsmarktperspectieven.