Plea Bargain

M. HILDEBRANDT, P.T.C. VAN KAMPEN en J.F. NIJBOER: Plea Bargaining in Holland?

144 blz., Gouda Quint 1994, ƒ 49,50

De wettelijke regeling van de kroongetuige ligt voorlopig even in de ijskast. Maar het onderliggende dilemma blijft levensgroot aanwezig: moet de justitie onderhandelen met criminelen? Over deze vraag handelt een boekje met twaalf bijdragen plus een verslag van het Leidse symposium waarop het is gebaseerd. De titel is ontleend aan het spraakgebruik in de Verenigde Staten, waar dit soort onderhandelingen is ingeburgerd. Maar daar gaat het om een specifiek doel, het vermijden van een omslachtig proces voor een jury. De O.J. Simpson-zaak (al bijna een half jaar onderweg en nog geen eind in zicht) laat zien hoe dat uit de hand kan lopen.

Een plea bargain is het afkopen van zo'n omslachtig proces met een bekentenis, in ruil voor strafvermindering. Deze methode heeft wel zijn bezwaren. Soms “wordt de band met de werkelijkheid totaal losgelaten”, zoals een van de auteurs het uitdrukt: de verdachte bekent een aanklacht die dusdanig is afgezwakt, dat zij alleen maar een gevoel van vervreemding in de hand werkt bij alle betrokkenen - verdachte, rechter, slachtoffer, reclassering. Er wordt ook veel gewerkt met standaard-strafreducties, een soort strafrechtelijke supermarkt die weinig van doen heeft met de opdracht ieder het zijne te geven.

Onderhandelen over waarheid en gerechtigheid lijkt tot nu toe niet in het Europese waardepatroon te passen. Toch blijken in de praktijk van het sociaal-economische strafrecht (het zogeheten ordeningsstrafrecht) “veel meer aspecten van de vervolging onderhandelbaar te zijn dan algemeen wordt aangenomen”, zo noteert de Haagse advocaat prof. M. Wladimiroff. De fiscus heeft met de banken een regeling getroffen over de uitoefening van toezichthoudende bevoegdheden (de zogeheten gedragscode). En in individuele zaken kan een 'fiscaal compromis' worden getroffen waarbij de justitie, in casu het Openbaar Ministerie rechtstreeks is betrokken. Ook veel milieuzaken eindigen met een schikking, die fors in de papieren kan lopen en waarover pittig kan worden onderhandeld.

Een probleem is dat dit alles zich afspeelt achter gesloten deuren, zodat een niet onbelangrijk deel van de publieke rechtshandhaving onderbelicht blijft. En zo'n stille boete wordt door de betrokkene veel makkelijker afgedaan als een bedrijfsongeval dan een openlijke veroordeling. Niet echt goed voor de normhandhaving. Uit een oogpunt van 'proces-economie' is het natuurlijk wel handig voor de justitie.

De van de IRT-affaire bekende officier van justitie mr. M. van Capellen noemt dit economisch aspect als een van de twee redenen voor de justitie om ook buiten de sfeer van het ordeningsstrafrecht zich te begeven op de strafrechtelijke voor-wat-hoort-wat-markt.

De andere reden is het vinden van 'nieuwe wegen in de waarheidsvinding', zij het alleen in ernstige zaken. Deals met criminelen dus. De vraag of dit principieel toelaatbaar is noemt Van Capellen 'een gepasseerd station'. Maar hij geeft toe: “In de wedloop met het verschijnsel zware, organiseerde criminaliteit krijgt de rechtsstaat dusdoende een andere inhoud, dat wel.”

Dat is precies de reden waarom de Utrechtse hoogleraar strafrecht A.H.J. Swart vindt dat het afdoen van strafzaken op basis van een vergelijk beperkt dient te blijven tot lichte routinegevallen. Voor zware zaken is dat maatschappelijk onacceptabel. Als voorbeeld noemt Swart de bekende Bettina M., een van de Italiaanse pentiti ('spijtoptanten') die hier graag als voorbeeld worden genomen. In ruil voor een schat aan informatie die zij niet alleen aan de Italiaanse justitie leverde maar ook aan die van andere landen (waaronder Nederland), kreeg zij een gevangenisstraf van vier jaar. Toch is zij vermoedelijk onder meer medeverantwoordelijk voor enkele moorden.

Een andere vrouw, een volstrekt ondergeschikte figuur in dezelfde organisatie, werd veroordeeld tot een straf van tien jaar. Swart: “Het valt niet in te zien hoe zoiets te rijmen valt met fundamentele uitgangspunten van iedere rechtsorde als aansprakelijkheid naar de mate van verantwoordelijkheid en rechtsgelijkheid”.

    • F. Kuitenbrouwer