Plantaardige passementerie

Toen ik met tuinieren begon was ik bereid te zwelgen in rozen en bollen; ik verwachtte grote aantallen vaste planten te verwerven, ja ik hoopte zelfs vertrouwd te raken met exotische groentesoorten. Maar wat ik nooit had gedacht was dat ik nog eens misvormde varens zou verzamelen.

De Krankzinnige Verzamelaar is een speciaal type tuinier en zijn gekte kan vele vormen aannemen. Er is de Volledige Collectie - bijvoorbeeld alle crocussen die levensvatbaar zijn in Europa, alle bestaande soorten klimop, alle heesters waarvan de naam met een P begint. Dan is er het Speciale Verlangen: elke dag van het jaar een andere cyclamen of clematis in bloei, of het maximum aantal planten in de tuin dat bloeit op Nieuwjaarsdag. Of de Moeilijke Tuin: met alle planten die ooit zijn aanbevolen voor droge schaduw.

Er zijn nog moeilijker te classificeren manieën: ik heb eens gelezen over iemand die uitsluitend planten verzamelde waarvan de cultivarnamen verwezen naar familie en vrienden (in mijn geval bijvoorbeeld het viooltje 'Sylvia Hart').

Misvormde varens zijn geen ongebruikelijk verzamelobject; reeds de Victorianen waren varendol en kamden het platteland af op steeds merkwaardiger exemplaren. En ze lieten zich gaan bij het benoemen ervan; Graham Stuart Thomas signaleerde de naam Polystichum angulare divisilobum plumosum densum erectum. Wat een onzin, denk je, tot je een paar van de namen hebt gezien die nu in gebruik zijn: Polystichum setiferum Divisilobum Group 'Divisilobum Iveryanum' bijvoorbeeld, daar schiet je ook niet veel mee op.

In Victoriaanse dagen waren voor hen die in de vervuilde steden verbleven varens een middel om herinnerd te worden aan de schoonheid der natuur. Ik bezit een boek daarover dat werd uitgegeven in 1875 en dat uitroepen bevat als 'Boven, beneden en rondom ons, varens, varens, een paradijs van varens!' en 'De tongvaren is een vrije en vermetele plant'. Een hoofdstuk getiteld 'Ferny Rambles in South Devon' beschrijft een waar varenparadijs (en geeft nauwkeurige instructies om er te komen); ook zijn er tips hoe 'de treurigste en meest vreugdeloze droevige huizen te veranderen in een varenparadijs'.

Wat het boek niet vermeldt is dat varenliefhebbers door het uitgraven van alle interessante exemplaren die ze vonden de natuurlijke aanwas ernstig in gevaar hebben gebracht. Gezwegen nog van gewetenloze varenhandelaars - dat klinkt nu alleen nog maar komisch, maar in die tijd waren zij het equivalent van het geboefte dat nu in Turkije en Griekenland wilde bollen uitgraaft en verhandelt.

Als je kijkt naar de paar ongelukkige varens die zich dezer dagen aan het eind van het alfabet in het gemiddelde tuincentrum verschuilen, dan zou een zeker gebrek aan belangstelling in de hele kwestie te verontschuldigen zijn. Ze lijken voornamelijk te bestaan uit een hoopje oud veervormig blad, bruin en gebroken, planten die er zeer verloederd uizien, haastig in een pot gepropt, of met de moed der wanhoop trachtend er bovenuit te rijzen.

Geen plant die de planter dankbaarder beloont dan de varen: een paar maanden na zo'n schijnbaar terminaal geval een plaats te hebben gegeven in het bloembed zal het zich getransformeerd hebben van een haveloze stumper tot een uitbundige schoonheid.

Het is natuurlijk in het voorjaar dat ze er het best uitzien, wanneer de nieuwe bladeren zich ontvouwen; de mooiste in mijn tuin tot dusver zijn de Polystichum setiferum. De nieuwe bladveren lijken bij het uitkomen op grote slakkehuizen of ammonietfossielen, beschermd door een soort bruine schubben; het lijken vreemde antieke planten, totaal verschillend van hoe ze er over een paar maanden uit zullen zien.

Een probleem met afwijkende of vervormde varensoorten is identificatie, en ook dat kwekerijen ze niet altijd onder hun juiste namen verkopen. Er zijn technische termen voor de verschillende deformaties; een van de gangbaarste is 'Cristatum' voor gevorktheid, waarbij de uiteinden van de bladeren gespleten zijn. In het eenvoudigste geval verandert een rechte lijn in een Y, maar de vertakkingen kunnen nog ingewikkelder zijn, neigend naar de rivierdelta. De tongvaren kan gekruifde uiteinden hebben, waarmee hij er meteen stukken exclusiever uitziet dan zijn ongekruifde bloedverwanten.

Het blad kan ook gepluimd zijn, een term die volgens E.A. Bowles 'een veelheid van varendeugden en -gratiën aanduidt'. Het kan fijnvertakte bladeren verdelen in nog fijnvertaktere, of een blad beschrijven waarvan de zijkanten meer zijn gegroeid dan het midden, zodat ze op karakteristieke wijze gegolfd zijn. Veel van deze eigenaardigheden, die voor de varen zelf van geen enkel nut lijken te zijn, want deze afwijkende vormen zijn steriel, kunnen zoals Bowles schrijft het best vergeleken worden met 'de franjes en kwikjes en strikjes van de passementerie (..) of met de patronen van verschillende soorten kant'.

In weer andere varianten zijn delen van de plant inplaats van gespleten of extra gegroeid juist verdwenen, ontbrekend; dat is bijvoorbeeld het geval met Athyrium filix-femina 'Frizelliae' (zo genoemd naar Mrs Frizell, die alleen al door haar naam gepredestineerd was deze gefriseerde variant te ontdekken in Co. Wicklow, Ierland). Hier zijn de pinnae, de kleine zijtakjes van de hoofdbladeren, gereduceerd tot kleine bolletjes die aan weerskanten langs de middennerf zijn geplaatst, hetgeen een zeer elegant uiterlijk verleent, ook herinnerend aan de garen- en bandwinkel, als een soort galon. In het Engels is deze plant bekend als de 'tatting fern', de varen 'met frivolités'.

Ik bezit een tongvaren met gekruifde uiteinden, Phyllitis scolopendrium 'Cristatum', die ik volmaakt vond tot ik een plaatje zag van dezelfde plant in de nog begerenswaardiger 'Crispum' vorm. In de 'Cristatum' vorm zijn het alleen maar de uiteinden van de bladeren die de daarstraks beschreven extra groei vertonen, terwijl bij de 'Crispum' de zijkanten zich er in hun geheel aan hebben overgegeven, met een prachtig geplooid effect, dat fraai werd beschreven door E.A. Bowles: 'de geplooide zijkanten van de bladeren zijn zo perfect als die mijn oude kindermeid placht aan te brengen aan haar muts'.

Mijn verleden is schaars aan kindermeidenmutsen, maar toch, telkens als ik naar mijn geplooide tongvaren kijk komt de gedachte bij me op hoe moeilijk het zou zijn het zo te krijgen met een strijkijzer.