Olympisch adviseur bezoekt trainingen en wedstrijden van negentien bonden; Jorritsma waakt over de Nederlandse sport

Tot en met de Olympische Spelen van Atlanta, volgend jaar, is Hans Jorritsma technisch adviseur van chef de mission André Bolhuis. Hij is niet de coach van alle coaches, maar het 'bindmiddel', de man die samenwerking tussen verschillende sporten mogelijk moet maken.

UTRECHT, 17 JUNI. Soms als Hans Jorritsma een training van een nationaal team bezoekt, herinnert hij zich ineens weer hoe leuk het is om een stel sporters te coachen. “Dan kriebelt het.”

Maar het gevoel houdt nooit lang aan, zegt hij. Jorritsma voelt zich lekker in wat hij nu in breder verband voor de Nederlandse sport doet. “Ik vind het een baan die bij me past”, zegt de 46-jarige Amsterdammer over zijn functie als technisch adviseur van Bolhuis. “Ik ben opgeleid als gymnastiekleraar en heb op de academie vele takken van sport zelf beoefend. Ook heb ik altijd interesse gehad voor het werk van andere coaches. Ik heb ze gevolgd en soms contact met ze gezocht.”

Jorritsma hoefde zich tijdens zijn grote oriëntatieronde langs bondscoaches en hun ploegen en atleten niet aan iedereen voor te stellen. En wie hem nog niet persoonlijk kende wist in ieder geval van zijn erelijst in het hockey af: twee maal coach van de wereldkampioen. Dat brak meestal meteen het ijs. Overal waren ze de afgelopen drie maanden blij dat hij langskwam, merkte hij. “Jorritsma is met veel liefde en egards ontvangen”, weet André Bolhuis.

De chef de mission heeft ook bewust naar een assistent gezocht die bekend is en gerespecteerd wordt. Want de nieuwe man moest, vond hij, “een vliegende start” kunnen maken. “We hadden niets aan iemand die een lange inwerkperiode nodig zou hebben.” Bolhuis had in eerste instantie een lijst met tien namen van mogelijke kandidaten. Hij streepte er eigenhandig meteen acht door. Alleen Jorritsma en schaatscoach Ab Krook waren in zijn ogen geschikt. “Als het niet één van hen was geworden, hadden we niemand aangesteld.”

Bolhuis en Jorritsma zijn oude bekenden. Vier jaar lang speelden ze samen in het nationale hockeyteam, in 1976 zelfs op de Olympische Spelen van Montreal. In zijn laatste seizoen als actief speler werd Bolhuis bij Kampong gecoached door Jorritsma. Bolhuis benaderde zijn voormalig ploeggenoot toen deze verleden jaar december terugkeerde uit Pakistan waar hij was gehuldigd omdat hij de hockeyers uit dat land naar de wereldtitel had geleid. “Het was een moeilijk moment”, zegt Jorritsma. Hij had aanbiedingen om bondscoach te worden in Spanje en Zuid-Afrika, maar wist nog niet wat hij zou gaan doen.

Al tijdens het eerste gesprek over de adviseursfunctie raakte Jorritsma enthousiast. Maar op zijn vraag wat hij precies moest gaan doen wist Bolhuis toen het antwoord nog niet. “Ik wist alleen dat hij overal moest gaan kijken”, aldus de chef de mission. Bolhuis, tandarts te Utrecht, had zelf te weinig tijd om te kijken of het door NOC*NSF beschikbaar gestelde geld goed werd geïnvesteerd en of alle coaches en sportbonden zich aan de gemaakte afspraken hielden. “Over die follow-up had ik regelmatig angstige gevoelens”, bekent Bolhuis.

Zijn angst is inmiddels verdwenen. Jorritsma waakt over de Nederlandse sport. De hockeycoach beoordeelt waar er hulp moet worden geboden en adviseert vervolgens Bolhuis. “Want ik bemoei me niet met de financiën”, zegt Jorritsma. Eén van de recente voorbeelden van zijn werk is het advies dat hij uitbracht over het waterpoloteam dat zich voorbereidt op de olympische kwalificatie in augustus. Jorritsma bemerkte dat bondscoach Ivo Trumbic te veel alleen moest doen. Nu heeft hij een assistent en krijgt hij op belangrijke momenten bovendien de beschikking over een videospecialist, die van de hockeyers wordt geleend. Bolhuis: “Zo'n afspraak lag er al lang met de hockeybond, maar we maakten er geen gebruik van.”

Hans Jorritsma wordt technisch adviseur genoemd. Hij vindt dat zelf een “nogal cryptische omschrijving”. Maar een betere benaming kan ook hij niet bedenken. Het geopperde 'coach van alle coaches' wordt resoluut afgekeurd. “Zo moet je me zeker niet noemen!” Jorritsma wil misverstanden voorkomen. “De coaches blijven autonoom. Wat zij doen is hun eigen verantwoordelijkheid en kan nooit de onze zijn of worden. Wij hebben respect voor wat ze doen.”

Wel staat Jorritsma open voor vragen van collega's. Hij wil graag adviseren. Hij brengt desgewenst ook coaches van verschillende takken van sport met elkaar in contact. “Ik ga er de eerste keer zelf bijzitten en daarna treed ik terug”, aldus Jorritsma. De onderlinge samenwerking moet nog verder worden uitgebouwd. “Iedereen beseft dat alle kennis in eigen land aanwezig is, maar daar wordt nog te weinig gebruik van gemaakt. ” Bolhuis: “Jorritsma is hierbij een bindmiddel.”

Er gaat bijna geen dag voorbij of Jorritsma is wel ergens bij een wedstrijd of training van een olympische kandidaat te vinden. Hij onderhoudt contact met vertegenwoordigers van liefst negentien bonden. Van zijn voornemen om elke week in ieder geval een hele dag vrij te nemen komt weinig terecht. “Aan vakantie denk ik deze zomer niet. Dat kan waarschijnlijk pas in november.” Bolhuis is blij met de assistentie. Dinsdag had Jorritsma een bespreking over voeding met roeicoach René Mijnders en een vertegenwoordiger van de universiteit van Maastricht. “En daarom kon ik naar de Rolling Stones”, lacht Bolhuis. Hij zegt trots te zijn op het succes van Jorritsma. “Zo iemand misten we gewoon nog in ons team.”

De aanstelling van de technisch adviseur hoort bij de ontwikkeling binnen de Nederlandse sport. Vroeger was het NOC, zoals Bolhuis het stelt, slechts “een reisbureau”. “Maar als ik dat zeg wordt Wim Cornelis (voorganger van Bolhuis, red) nijdig.” Het kwam er op neer dat het NOC de reis en het verblijf van olympische deelnemers regelde. Tegenwoordig wordt er ook geholpen bij de voorbereiding. Het budget voor de Olympische Spelen van Atlanta is verviervoudigd in vergelijking met Barcelona '92, naar ongeveer zes miljoen gulden.

Bolhuis en Jorritsma moeten er voor zorgen dat alle olympische kandidaten enigszins een gelijkwaardige behandeling krijgen. Waarom krijgt de ene ploeg wel een maaltijd na de training en de andere niet? Waarom heeft die selectie maar één fysiotherapeut en die twee? “Er zijn mensen die onder moeilijke omstandigheden topsport bedrijven”, heeft Jorritsma geconstateerd. Bepaalde takken van sport, de zogenaamde 'speerpunten', krijgen extra aandacht omdat de medaillekansen daarin groot zijn. Daarbij moet onder andere worden gedacht aan judo, roeien en wielrennen. “Het is langzamerhand interessant om topsporter in Nederland te zijn”, zegt Bolhuis. Hij doelt op de situatie dat veel sporters door de hulp van overheid en NOC*NSF alle gelegenheid krijgen om hun liefhebberij te beoefenen. Jorritsma: “Vroeger werkten hockeyers als Diepeveen en Van 't Hek door tot een dag voor het vertrek naar een WK. Tegenwoordig worden de spelers vier weken van te voren vrijgemaakt.”

Het is moeilijk te bepalen wat het effect van deze professionalisering zal zijn op de resultaten. Jorritsma deelt de mening van Bolhuis dat het niet slecht is gesteld met de Nederlandse sport. “Daar ben ik het nooit mee eens geweest. We maken in Nederland nu eenmaal makkelijk relativerende opmerkingen. Maar we doen als sportnatie goed mee en in vrij veel takken van sport. We hebben altijd topprestaties geleverd.”

Het NOC steunt ook sporters die op de Olympische Spelen weinig tot geen medaillekansen hebben, maar toch een redelijke klassering kunnen bereiken. “Anders zou je een ploegje van maar een man of 25 overhouden”, stelt Bolhuis. Aan de andere kant wordt er ook gewaakt dat er niet te makkelijk middelen beschikbaar worden gesteld aan sporters die minder gemotiveerd zijn of qua prestatie te ver achterblijven. Bolhuis spreekt van “kwaliteitsbewaking”.

Bolhuis en Jorritsma begrijpen goed waarom er door hele horden sportlieden zo veel inspanning wordt geleverd om bij de Olympische Spelen te komen. “Een beetje sporter wil er in zijn leven een keer naar toe”, weet Bolhuis. Hij maakte tot nu toe vier Spelen mee, twee als actief sporter, een als teammanager van de hockeyers en een als chef de mission. “Ik heb de echte Olympische Spelen nog meegemaakt, zonder geweren”, zegt hij. Jorritsma was er al drie keer bij, een als speler en twee als coach. “Het heeft iets zinderends. De druk is enorm groot.”

Een olympische medaille wordt dan ook hoger ingeschat dan een prijs bij een wereldkampioenschap. Bolhuis wijst daarbij lachend op de mannen uit zijn eigen sport, hockey. Die hebben in de historie alles een keer gewonnen behalve olympisch goud. “Maar in Atlanta gaat dat voor het eerst gebeuren, let maar op”, voorspelt Jorritsma.