Litouwen

PHILO BREGSTEIN: Terug naar Litouwen: Sporen van een joodse familie

156 blz., Van Gennep 1995, ƒ 29,90

Ponjemonje: de naam klonk het Amsterdamse jongetje Philo Bregstein (1932) als een toverspreuk in de oren, sleutel van een onbereikbare wereld. Zo heette het dorp in Litouwen waar zijn grootvader eind vorige eeuw vandaan was gekomen om zich in Amsterdam te vestigen. Met de ineenstorting van het Sovjetrijk werd die wereld toch nog bereikbaar en in 1991 ging Bregstein, cineast en schrijver, er voor het eerst heen. Over deze zoektocht naar zijn roots maakte Bregstein een filmdocumentaire en schreef hij het boek Terug naar Litouwen: Sporen van een joodse familie.

Via een wereldomspannend genealogisch computernetwerk van familieleden in Amerika legt Bregstein contact met zijn achterneef Grisja uit Panemune, zoals de naam van het dorp in werkelijkheid wordt geschreven. In 1941 werd Grisja met zijn familie door de Sovjets naar Siberië gedeporteerd, waar hij na jaren dwangarbeid in de industriestad Barnaul ging wonen. Voor Grisja, dank zij zijn deportatie een van de weinige nog levende joden uit Panemune, was zijn geboorteplaats een halve eeuw lang eveneens onbereikbaar. Voor een arme schooier uit Siberië is zijn terugkeer glorieus; met geamuseerd mededogen ziet Philo hoe Grisja geniet van de status die hij aan zijn hoedanigheid van teruggekeerde balling ontleent.

Met Grisja als gids vindt Philo het familiehuis van de Bregsteins terug, waar de huidige bewoners hen met argwaan ontvangen: komen die vreemdelingen hun oude bezit opeisen? Ook vinden ze de plek terug waar de familieboerderij stond, tot die in 1968 met de grond gelijk werd gemaakt. De Litouwse Bregsteins blijken een doodgewone, redelijk welvarende boerenfamilie te zijn geweest die zo goed mogelijk probeerde te assimileren. Dat streven wordt in Amsterdam voortgezet, waar Philo's vader een niet-joodse vrouw trouwt en de kinderen Nederlands Hervormd laat dopen.

Na diverse bezoeken aan Litouwen is de dromerige betovering van 'Ponjemonje' door een harde werkelijkheid verdreven. De familiebanden zijn voor zo ver mogelijk hersteld, dat wel, maar de wonden van de recente geschiedenis zijn nog diep. De begraafplaats is niet door nazi's maar door de Russen met bulldozers platgewalst en de grafstenen verwerkt in een brug. Bij de Litouwers is er nog altijd een grote weerstand tegen het oprakelen van een oorlogsverleden waar zij zelf veelal bij betrokken waren. Zo komt Bregstein te weten dat Litouwse nationalisten in een georganiseerde hetze meer dan 15.000 joden doodden tussen het vertrek van de Sovjets op 22 juni 1941 en de komst van de Duitsers drie dagen later.

Het gezin Bregstein mag in Nederland nog zo geassimilieerd zijn geweest, voor deze ene zoon is het jodendom een levensthema geworden. Hij heeft filmdocumentairs gemaakt over onder anderen Jacques Presser en publiceerde in 1978 een erg mooi oral history-boek, Herinneringen aan Joods Amsterdam. Jammer genoeg ontbreekt de stilistische souplesse daarvan in het nogal matte Terug naar Litouwen. De auteur is zo nauw betrokken bij de gebeurtenissen die hij beschrijft, dat hij niet de vereiste afstand heeft kunnen nemen om ze met literaire middelen een dramatische lading te geven. Dat de familiesage bij het verschijnen van het boek nog lang niet voltooid was, blijkt uit een verhaal dat hij eind vorige maand in Vrij Nederland schreef over het recente bezoek van Grisja aan Israel, die hiermee een jarenlange droom verwezenlijkt zag. Nu overweegt Grisja zich met zijn vrouw in Israel te vestigen. Het was een poëtische, en bevredigender, afsluiting geweest van het verslag over de reis terug naar Litouwen.