'Je kunt beter een renner contracteren die al verkering heeft'

Als coureur was hij een meesterknecht, eentje die het vuile werk opknapte voor de kopman. Als ploegleider stond CEES PRIEM (44) lange tijd in de schaduw van zijn meer charismatische collega's Post en Raas. Maar Priem bewijst al acht jaar dat uitstraling alleen niet voldoende is. Met zijn sponsor TVM vormt hij in 1996 voorlopig de enige Nederlandse wielerploeg.

De ploegleider is een zwerver, hij is altijd op pad. Meestal zit hij in het buitenland, zoals de komende maand als Cees Priem in een volgauto van de Ronde van Frankrijk plaats neemt. Deze middag is hij op weg naar de fietsenfabriek Gazelle, de firma die de ontwerpen bouwt voor alle TVM-coureurs. In Dieren wordt een heel speciaal karretje gemonteerd voor Jelle Nijdam, die bij de Tourproloog in het Bretonse Saint Brieuc tot de kanshebbers behoort.

Nijdam is een sfeergevoelige renner. Vorig jaar reed hij zonder plezier en zonder succes in de formatie van Jan Raas, dit seizoen is de brede grijns weer zijn handelsmerk. Hij geniet van de ontspannen sfeer bij TVM. En hij heeft al aardig wat koersen op zijn naam gebracht. Voor Priem is de wederopstanding van zijn routinier geen verrassing. “Jelle is een familiale kerel. Hij trekt wekelijks met Michel Cornelisse naar de Belgische kermiskoersen. En dan hebben ze natuurlijk veel lol in de auto, want Cornelisse heeft altijd moraal. Daar kan Jelle zich aardig aan optrekken.”

Voor Priem is een ontspannen sfeer de basis van zijn werkwijze. Wie hem bij de voorjaarsklassiekers aanschouwde, zag een rustige kerel die zijn renners af en toe eens flink op de schouders sloeg. Hij is het type dat aan een half woord genoeg denkt te hebben. Zijn gebrekkige kennis van de buitenlandse taal ziet hij niet als een belemmering. Het wielerjargon zit nu eenmaal tussen de spaken. En een Deen heeft de Nederlandse gewoonten eerder onder de knie dan een Fransman of een Italiaan.

“Ik werk liever met een Deen, die zit een beetje hetzelfde in elkaar als een Nederlander. Je kunt toch moeilijk een mop vertellen aan een Rus. Dat zal niet meevallen. Of tegen een Fransman, dat werkt ook niet. Die Denen kunnen wel meedoen. Een Fransman past zich niet aan. En er zijn weinig Italianen die in een ander land goed rijden. Dat is Fondriest ook niet gelukt. De resultaten kwamen pas nadat hij bij Post was weg gegaan. Ik heb dan zelf Konisjev gehad, maar dat was een ander type. Je kon wel met hem praten. Hij paste wel in de groep. Hij was ook een clown eigenlijk. Het ging pas mis toen sommige managers aan hem gingen zitten plukken.”

Priem is TVM en TVM is Priem. Het Drentse verzekeringsbedrijf en de Zeeuwse ploegleider lijken voor elkaar bestemd. “Wij zijn een Nederlandse club, hebben een Nederlandse cultuur. Hoe meer Nederlandse renners er in de Tour meedoen, hoe leuker de mensen dat vinden. Dan leeft het meer. Maar TVM is niet de enige sponsor, al onze sponsors voelen zich bij de renners betrokken. Of het nu om Nutricia of Gazelle gaat, ze zijn allemaal even enthousiast. Wij zijn echt een fantastische club bij elkaar. TVM fungeert eigenlijk als een landingsbaan op een vliegveld. Je kunt er altijd terecht en als het op een gegeven moment wat minder gaat, dan staan ze altijd garant dat iets kan doorgaan.”

TVM-directeur Ad Bos heeft regelmatig zijn genegenheid getoond jegens de wielersport, hetgeen volgens Priem een voorwaarde is voor een goede samenwerking. “Bos is een voortreffelijke zakenman waar ik heel veel van heb geleerd. Op alle gebieden eigenlijk. Ik ben veel onderweg, ondertussen leest hij wèl alle kranten. Als ik terugkom, kan hij zeggen welke amateur waar en wanneer goed heeft gereden. Bos is ook een Zeeuw en daar zijn we best een beetje trots op. Zeeuwen komen een afspraak graag na. En als we willen dat niemand ons hoort, beginnen we gewoon in het Zeeuws.”

Hij schaterlacht. Zijn donkere ogen vertonen de ondeugd van een oude kwajongen. Hij ziet er sowieso heel ontspannen uit. “Je moet een goeie thuishaven hebben. Daar moet je weer normaal kunnen denken, zodat je daarna weer goed kan functioneren. Je moet ontspannen naar je werk gaan en pas gespannen worden op je werk. Ik word pas nerveus in de finale, daarvoor heeft het geen zin. Dat is allemaal verloren energie. Dan ga je fouten maken.”

Geen enkele geldschieter van zijn ploeg was volgens Priem ongerust over de deelneming aan de Tour de France, zowel in sportief als in commercieel opzicht verreweg de belangrijkste wedstrijd van het jaar. Pas afgelopen week kreeg TVM van Tour-directeur Jean-Marie Leblanc een startbewijs voor de Franse ronde. “Wij hebben er altijd vertrouwen in gehad. We hebben dit jaar goed gepresteerd, dus konden ze niet om ons heen. Alleen word je een beetje nerveus door de stroom publiciteit die op gang komt. Maar die was eigenlijk niet terecht. Eigenlijk werd de nervositeit gekweekt door de ploegen die zelf het meest nerveus waren.”

“Het is allemaal een beetje ongeloofwaardig gegaan bij de selectie van de Tourploegen. Erg chauvinistisch. Een Nederlandse organisator zou het net andersom doen, die zou eerst een buitenlandse formatie nemen en dan pas eigen renners. Organisator Leblanc pakte eerst de vier Franse ploegen, terwijl er geen enkele in de top 20 staat. Wat heeft de Tour-baas aan de regenboogtrui van Luc Leblanc als hij na twee dagen opgeeft? Leblanc rijdt momenteel zo slecht, dat hij geen vijf dagen gaat meerijden. Dan zit de organisatie met een Franse ploeg die niks meer waard is. Dat is anti-reclame.”

“Je kunt de Tour niet missen. Je bent verplicht deel te nemen vanwege je sponsor en dat geeft een bepaalde druk. Die sponsors hebben hun contract gebaseerd op de Tour. De publiciteitswaarde is vele malen groter dan bij een andere koers. Daarvoor hoef je niet eens te winnen. Als je je voortdurend in de kijker rijdt, desnoods alleen maar door in de kopgroep te zitten, dan begint het te leven bij het Nederlandse publiek. Een renner moet gaan leven bij het publiek. Pas dan krijg je reclame.”

In de Tour van 1994 kreeg Priem het aan de stok met de wedstrijdleiding. Hij zou Rob Harmeling hebben geduwd vanuit zijn volgauto. De vermoeide coureur werd naar huis gestuurd, zijn ploegbaas moest de resterende dagen langs de kant toekijken. Lange tijd heeft Priem zijn verboden hulp ontkend, maar bijna een jaar later geeft hij op subtiele wijze toe dat Harmeling gewoon steun verdiende.

“Hoe minder renners je nog in de strijd hebt, hoe meer druk er op die jongens komt. Eerst kun je de druk nog met negen verdelen, maar op een gegeven moment heb je nog maar vier renners in de koers. Op dat moment mag je er niet één meer missen, of je moet naar huis en je bent geen bedrijf meer. Dan moet er wel eens een noodmaatregel genomen worden. Elke renner heeft in die drie weken wel eens een slechte dag. In de voetbalwereld zet je hem dan even op de bank, maar in de Tour gaat dat niet. Dus probeer je zo'n jongen er doorheen te slepen. Want dan ben je weer voor een week gedekt. Iedereen weet dat je een renner af en toe moet helpen. Ik heb de organisatie er nadien ook nooit meer over gehoord.”

Een andere tegenvaller in de vorige Tour was de opgave van Steven Rooks en Gert-Jan Theunisse, de twee duurbetaalde routiniers die er volgens Priem met de pet naar gooiden. Met Rooks heeft hij de ruzie inmiddels bijgelegd, hij kreeg begrip voor diens privé-problemen. Met Theunisse kwam het nooit meer goed. De Brabander vertrok afgelopen winter naar de Belgische Colstrop-formatie. Twee maanden geleden besloot hij om medische redenen zijn loopbaan te beëindigen.

“De oude Theunisse hebben wij helaas nooit gezien. Renners die op de terugweg zijn, beginnen te veel na te denken. Die remmen twee keer in de bocht, terwijl een normale renner dat maar één keer doet. Als je begint te rekenen, wordt het minder. Dat zag je ook aan Theunisse. Die had een naam opgebouwd als werkezel. Als Chiappucci er niet meer invliegt, is het afgelopen met hem. Nu houdt iedereen van hem, omdat hij erin ramt en wel kijkt waar hij terecht komt. Dan mag hij een keer op zijn bek gaan, maar hij heeft zich wel laten zien.”

De bevlogenheid van renners als Chiappucci past in het ideaalbeeld van Priem. Niet zeuren maar fietsen. Vandaar zijn grote liefde voor Jesper Skibby, vandaar ook zijn afkeer voor de wetenschappelijke benadering van de wielersport. Bij TVM wordt hard getraind, maar de Italiaanse methoden zijn niet aan Priem besteed. “Het heeft allemaal met een golfbeweging te maken. Over drie jaar is het in Italië ook afgelopen. Dan hebben wij misschien wel weer een paar toppers. Het zit niet in de hoogtestages, dat is allemaal flauwekul. Kijk maar naar Raas, die werkte dit jaar met Italiaanse modellen. Heb je een verschil gezien? En Nijdam heeft het precies eender gedaan als in de voorgaande jaren en die rijdt opeens een stuk harder.”

“Waar je wel rekening mee moet houden, is dat de wedstrijden zijn veranderd. Geen enkele koers is meer vlak. Je moet geen jongens selecteren die alleen maar op het vlakke kunnen rijden. De wedstrijden zijn zwaarder geworden en daar moet je een andere renner voor kweken. Zo'n Knaven bijvoorbeeld, die had nog nooit een berg gezien toen hij twee jaar geleden prof werd. Dan heb je al een grote achterstand. Het vlakke is ons werk niet meer. Pas als de amateurs in Spanje koersen gaan rijden, kun je pas oordelen of er wat in zo'n renner zit.”

Priem heeft een nauwe samenwerking met de ploeg van Egbert Koersen. De liefhebbers van Koga Miyata worden onder toeziend oog van een professionele ploegleider klaargestoomd voor de beroepssport. Servais Knaven en Jeroen Blijlevens werden anderhalf jaar geleden via Koga overgeheveld naar TVM. “Wij proberen gewoon het Nederlandse wielrennen op te krikken. Met wie ik in zee ga, maakt me niks uit. Af en toe stuur ik Koersen met een stel jonge jongens naar Spanje. Maar dan moet ik eerst toestemming krijgen van de bond. Eer dat de KNWU zijn fiat heeft gegeven, heb ik al een hele reis afgelegd. Zonde van de tijd.”

Hij vertelt over de vorderingen van Blijlevens, Voskamp en Den Bakker. Zij moeten de grote achterstand van het Nederlandse wielrennen ongedaan maken. Zij moeten de glorietijden van mannen als Raas, Kuiper, Knetemann en Zoetemelk doen herleven. Priem heeft vertrouwen in de toekomst, in tegenstelling tot sommige criticasters die beweren dat de successen van de jaren zeventig en tachtig op toeval berustten. Nederland zou nooit een grote wielernatie zijn geweest.

“Er is genoeg talent maar je moet ze wel de tijd geven om zich te ontwikkelen. We moeten niet de Belgische kant op gaan. Daar wordt elke belofte de hemel ingeprezen. Het belangrijkste is dat de coureurs een thuishaven hebben. Als een renner het thuis niet op orde heeft, kan hij niet presteren. De vrouw van een renner is heel belangrijk. Je kan beter iemand contracteren die al verkering heeft. Daar kun je je geen buil meer aan vallen. Iemand van 28 die voor het eerste verkering krijgt, schrijf die maar af. Er komt zoveel op je af als coureur, daar heb je geen idee van.”