Informatierevolutie: broedplaats of begraafplaats van banen?

De informatierevolutie raast door de wereld. En ze is anders dan de eerste industriële revolutie, want ze raakt iedereen. Snelle computers, robots en mobiele telefoons veranderen het werk ingrijpend, bij produktieprocessen in bedrijven, in de dienstensector, op de beurs en bij de overheid. Miljoenen banen gaan verloren, maar de informatietechnologie schept ook nieuwe werkgelegenheid. En er is geen keus: de mondialisering dwingt tot innoveren.

Minister Wijers wil Nederland laten meesurfen op de Derde Golf van de informatie-eeuw en publiceert volgende week zijn nota over technologie. Eerste deel van een serie over de informatierevolutie en werkgelegenheid.

Ze vinden het niet erg om tegen de klok te werken. Ze hebben nooit honger en zijn nooit moe. Ze zijn altijd tevreden met de arbeidsomstandigheden op hun werk en vragen nooit om meer salaris. Er gaat veel minder fout dan bij mensen die hetzelfde werk doen. Sterker, zodra er iets mis loopt, rinkelt meteen het alarm.''

In de toekomst kunnen fabrieken zonder werknemers draaien. Dankzij de derde industriële revolutie, ofwel de doorbraak in de automatisering. Twee Canadese onderzoekers haalden met deze provocerende visie de cover van het Amerikaanse zakenblad Fortune. Dat was in 1946. Inmiddels is de derde industriële revolutie in volle gang en hebben robots een plaats in de bedrijven veroverd. En nog altijd werken er mensen in de fabrieken.

Maar niet lang meer. En deze keer zal het echt pijn doen, waarschuwen economen en managementgoeroe's zoals de Amerikaan Jeremy Rifkin en de Brit Charles Handy. De vaste baan zoals we die kennen, verdwijnt in de post-industriële economieën. Werknemers zullen alleen nog actief zijn als 'vrije jongens' die zo nu en dan door ondernemingen voor een tijdelijke opdracht in de arm worden genomen.

Voor het eerst in de geschiedenis wordt menselijke arbeid door de informatie-technologie systematisch uit het produktieproces geëlimineerd. De Amerikaan Jeremy Rifkin, president van de Foundation on Economic Trends in Washington, schreef er onlangs een boek over dat het nodige stof heeft doen opwaaien. In The End of Work wijst Rifkin erop dat als in het verleden technologie menselijke arbeid verving, er altijd nieuwe sectoren waren die de werklozen weer opvingen. Dat kon wel vele jaren duren. Toen landarbeiders door ploegen en tractoren van het platteland werden verdreven, werd de industrie de grote werkgever. En toen de automatisering in de industrie toesloeg, werd de dienstensector de grote banentrekker. Bijna een halve eeuw lang was de dienstensector goed voor het overgrote deel van de nieuwe banen in de westerse industrielanden.

Maar nu doet ook hier de automatisering haar intrede. Telefonisten worden vervangen door computers, postbeambten door adreslezende machines, bankemployees door geldautomaten die veel meer transacties per dag kunnen afhandelen. Rifkin schat dat drie van de vier werknemers in de industrielanden eenvoudige taken verrichten die geautomatiseerd kunnen worden. Hij verwacht dat de rijke economieën de volgende eeuw vrijwel nauwelijks meer behoefte hebben aan werknemers.

Voorspellingen zoals deze voeden een toenemende angst bij de middenklasse dat technologie, na eerst veel handarbeid overbodig te hebben gemaakt, nu ook de witte-boorden-banen gaat treffen. Reorganisaties van bedrijven gaan maar door en de werkloosheid is in West-Europa verontrustend hoog. Vormt de informatie-revolutie een grootscheepse bedreiging voor de werkgelegenheid? Krijgt Karl Marx dan toch gelijk met de door hem voorspelde massa-werkloosheid als gevolg van grootscheepse investeringen in machines?

Veel mensen houden de nieuwe technologieën verantwoordelijk voor het verlies van banen”, zegt professor Arnold Heertje. “Maar telkens is in de geschiedenis gebleken dat het tegenhouden van invoering van nieuwe technieken met het oog op de werkgelegenheid, veelal leidt tot daling van het rendement van de onderneming. Daardoor stagneert de groei en nieuwe bedrijvigheid.” Heertje kan erover meepraten. Al in 1973 publiceerde hij Economie en Technische ontwikkeling dat een handboek is geworden.

Heertje noemt de huidige economische ontwikkelingen revolutionair. “De moderne technologieën raken iedereen. Bij de invoering van de stoommachine tijdens de eerste industriële revolutie merkte het grote publiek vrijwel niets van deze ingrijpende verandering. Nu wordt elk individu geconfronteerd met computers, Nintendo's en draadloze telefoons.”

De Maastrichtse hoogleraar economie Luc Soete onderstreept dat vooral de convergentie van communicatie- en computertechnologie het radicale karakter van de technologische veranderingen in de jaren negentig bepaalt (zie illustratie). “Het gaat bij de informatie- en communicatietechnologieën niet alleen om enkele nieuwe produkten of industrieën. De hele manier van leven in industriële samenlevingen wordt erdoor beïnvloed”, zegt Soete. Samen met de Britse hoogleraar Chris Freeman schreef hij er een toonaangevend boek over, Work for all or Mass Unemployment; Computerised Technical Change into the 21ste Century. Hierin bestempelt hij de informatie- en communicatietechnologie als een nieuw 'techno-economisch paradigma', een nieuw economisch model.

Soete wijst in dit verband op de grote betekenis van het denken van de econoom Joseph Schumpeter die innovatie als het hart van de economische dynamiek beschouwde. “De Oostenrijkse econoom onderstreepte in zijn historische studies telkens het belang van zowel technische als organisatorische innovaties en hun onderlinge samenhang. Pas wanneer de organisatorische aanpassingen in de economie zijn voltooid, kunnen volledig de vruchten in produktie en werkgelegenheid worden geplukt”, zegt Soete. Hij trekt een vergelijking met de elektromotor in de industrie: die kreeg pas na 1900 zijn beslag toen industriëlen begrepen dat de indirecte voordelen veel groter waren dan alleen energiebesparing. Met de vervanging van de stoommachine - die via drijfriemen, schachten en kettingen een reeks andere machines aandreef - door aparte machines met elk een elektromotor was een veel flexibeler produktiesysteem mogelijk. Er kwam niet alleen meer werk, het was ook anders georganiseerd.

Soete en Freeman gaan in hun boek gedetailleerd in op de werkgelegenheidseffecten van de informatierevolutie. Ze verschillen sterk per sector. In de dienstensector is steeds meer concurrentie te verwachten voor westerse landen. Ook door verdere efficiencyverbetering zal de werkgelegenheid in deze branche in West-Europa dit decennium met tien procent teruglopen. Hier staat een flinke uitbreiding van banen tegenover op het gebied van diensten die van buitenlandse concurrenten minder te vrezen hebben zoals onderwijs en training, gezondheidszorg en recreatie. De vraag van consumenten naar zulke diensten zal volgens Soete en Freeman flink stijgen.

De Amerikaanse overheid verwacht dat onderwijs, gezondheidszorg, vrije tijdsbesteding plus software- en systeemontwerpen de snelst groeiende branches worden en veel werkgelegenheid zullen genereren. Nu al leveren zij in de VS de helft van de nieuwe banen. Het Amerikaanse ministerie van arbeid heeft berekend dat alleen al de werkgelegenheid in de thuiszorg tussen 1990 en 2005 met liefst negentig procent zal groeien. Ook andere vormen van persoonlijke dienstverlening zullen nieuwe banen opleveren zoals bij schoonmaak, onderhoud, reparatie. Alleen zijn dan wel fiscale maatregelen nodig om dergelijk werk uit het zwarte circuit te halen. In Europa en Amerika nemen onderwijs en gezondheidszorg nu al twintig procent van de totale nationale produktie voor hun rekening. Dat was nog maar vijf procent in 1938.

Ook de informatie- en communicatie-industrieën zelf creëren volgens Freeman en Soete aanzienlijke werkgelegenheid. Soete: “Men is vaak geneigd te denken dat een stijging van de arbeidsproduktiviteit gepaard gaat met dalende werkgelegenheid. Dat is soms waar in 'rijpe' bedrijfstakken zoals de mijn- en landbouw. Historisch onderzoek leert echter dat nieuwe produkten en nieuwe diensten de groei van produktie, werkgelegenheid en arbeidsproduktiviteit juist versterken.” Dat was volgens Soete het geval in de textielindustrie tijdens de industriële revolutie en in de staal- en auto-industrie in deze eeuw. Het had alles te maken met het feit dat de snelle verspreiding van nieuwe produkten en produktieprocessen gepaard ging met een sterke kostenreductie en hoge inkomens- en prijselasticiteit. Dat betekent dat bij hogere inkomens en lagere prijzen de vraag explodeert.

Veel bedrijven in de informatica en communicatie bleven ondanks de recessie begin jaren negentig en ondanks een dalende afzet van hardware, hoge groeicijfers vertonen. Niet minder dan 38 van de 100 snelst groeiende ondernemingen in Amerika waren de afgelopen vijf jaar in deze sector actief. En de werkgelegenheid in de software is nog altijd een van de snelst groeiende bedrijfstakken.

De informatie-industrieën zullen volgens de onderzoekers ook een dramatische invloed hebben op de verspreiding van kennis. Dat geeft een enorme impuls aan produktvernieuwing. “De technologie maakt het mogelijk grote hoeveelheden informatie op te slaan en te verhandelen. Ze is dus gemakkelijk overdraagbaar. Vroeger was dat niet zo en beschikten alleen bepaalde bedrijven of personen over deze informatie”, zegt Soete. De grotere toegankelijkheid van kennis leidt echter ook tot veel heviger concurrentie op de wereldmarkt waardoor de levenscycli van produkten dramatisch is verkort.

Alles draait om speed, speed, speed, zei de vermaarde business goeroe Michael Porter onlangs nog. De snelheid om met nieuwe produkten te komen is van levensbelang voor bedrijven om internationaal te kunnen meedoen. Dat betekent voortdurend herstructureren en re-engeneeren. Schumpeter introduceerde in dit verband het begrip 'creatieve destructie'. De destructie gaat over het aanpassen van produkten, van de organisatie en van mensen aan nieuwe ontwikkelingen. Juist deze omschakeling veroorzaakt in de samenleving zoveel onrust omdat deze gepaard gaat met uitstoot van werk.

Werkgelegenheid is niet een probleem van volume, zegt Soete, maar van een nieuwe verdeling over soorten van arbeid. Het gaat om soorten arbeid waar vraag naar is en om arbeid die wordt uitgestoten. Er is in de jaren tachtig en negentig een fundamentele spanning aan het licht gekomen. De vraag naar ongeschoold werk in West-Europa verdwijnt omdat het te duur is geworden.

Maar het downsizen in grote bedrijven treft ook coördinerend middenkader dat alleen in de ouderwetse 'Fordistische' onderneming een functie had. Dit model is achterhaald omdat de informatietechnologieën organisaties veel flexibeler en decentraler maken. Een onderneming als Procter and Gamble die in 1993 forse winst boekte, schrapte in dat jaar niet minder dan 13.000 banen.

Zijn grote ondernemingen door gebrek aan flexibiliteit niet in staat om de technologische uitdaging te beantwoorden? Schumpeteriaanse economen tonen zich niet al te somber. Een onderzoek van Fortune's top 500 van grote ondernemingen leert dat het bij bedrijven die verdwijnen, vrijwel altijd gaat om fusies. In de Oeso-landen blijkt juist dat kleine en middelgrote ondernemingen een belangrijke rol spelen bij het scheppen van nieuwe werkgelegenheid.

De Oeso, de Parijse organisatie van rijke industrielanden, komt in haar laatste Jobs Study tot de conclusie dat hoewel verouderde industrieën in problemen raken, technologische verandering in het verleden steeds hand in hand ging met stijgende produktiviteit, stijgende vraag naar arbeid en hogere lonen. De stelling van Marx dat fabriekseigenaren door grootscheepse investeringen in machines een vast leger werklozen zouden creëren, deed niets af aan het feit dat vijftig jaar later zowel de kapitaalsintensiteit als de arbeidsproduktiviteit in Engeland bleven stijgen, de salarissen opnieuw verdubbelden en de werkloosheid niet verder steeg.

Norbert Weiner, pionier op het gebied van de computer, voorzag in de jaren veertig nog dat de nieuwe technologie zoveel banen zou vernietigen dat de depressie van de jaren dertig zou 'verbleken tot een picknick'. In de daarop volgende jaren verdubbelde het uurloon in de Verenigde Staten, terwijl de werkloosheid gemiddeld met een of twee percentpunten slechts minimaal steeg.

“Talloze boeren in de achttiende eeuw en arbeiders in de negentiende eeuw vroegen zich ook af waar de nieuwe banen vandaan moesten komen. Maar telkens bleek de economie flexibel genoeg om met oplossingen te komen die nieuw werk opleverden”, zegt Stephan Roach, een Amerikaans econoom bij het effectenhuis Morgan Stanley. In de jaren tachtig luidde hij nog de alarmklok. De werkloosheid zou door de techno-golf fors kunnen stijgen vanwege de mismatch in de vereiste vaardigheden die nodig zijn voor nieuwe banen en de vaardigheden van ontslagen werknemers. Roach is nu niet somber meer en noemt de informatierevolutie de drijvende kracht achter het economisch herstel en de banengroei in de wereld. Ten slotte werkten bij Microsoft tien jaar geleden nog 300 mensen, nu ruim 15.000.

Anderen schieten door zoals de neo-conservatieve Republikeinse voorzitter van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden Newt Gingrich. Hij dweept met de technologische revolutie en heeft The Third Wave van Alvin Toffler als een bijbel onder de arm geklemd. Toffler trok al decennia geleden ten strijde tegen doemdenkers van de informatie-revolutie. Hij voorzag dat na de Eerste Golf van de agrarische revolutie en de Tweede Golf van de industriële revolutie de Derde Golf van de informatica een nieuwe economie en maatschappijvorm zou scheppen.

De Derde Golf zou met de computer en robot het einde van de lopende band inluiden, nieuwe produktiemethoden zouden werk ingrijpend veranderen en er zou een elektronische huisindustrie ontstaan. In de blip-cultuur van Toffler zapt de informatie onophoudelijk langs je oren, ratelen autofaxen en mobiele telefoons, regisseren enkele whizz-kids de wereld van het geld en zijn ziekenhuizen getransformeerd tot virtuele tempels van technologie die kinderen op bestelling afleveren.

Soete: “We zijn gedoemd tot innoveren. De mondialisering dwingt steeds sneller technologische vernieuwingen af. Landen die zich het snelst aanpassen, zijn het meest succesvol in het creëren van banen. Kijk maar naar Amerika en Japan. Zij hebben het meest geïnvesteerd in de kennisintensieve onderdelen van hun economie, groeien het hardst en scheppen de meeste nieuwe banen.”

Amerika wist als technologisch leider de laatste tien jaar een opvallend aantal van 18 miljoen banen te genereren. Sinds 1960 is de werkgelegenheid er bijna verdubbeld, en het zijn niet zoals velen denken alleen maar 'hamburgerbanen'. Amerika kreeg er twee keer zoveel banen voor hooggeschoolden bij als Frankrijk en West-Duitsland.

Toch blijft in Europa de werkloosheid met elf procent van de beroepsbevolking zorgelijk hoog en daarom vroeg de Oeso Soete vorig jaar onderzoek te verrichten naar de relatie tussen technologische vernieuwing, produktiviteit en werkgelegenheid. Inmiddels geven de technologische veranderingen in Amerika een grootscheepse verschuiving te zien van banen op de arbeidsmarkt. Uit gegevens van het ministerie van Arbeid blijkt dat het aantal banen in de oude industrieën zoals de bouw, de administratieve sector en bij de overheid de laatste vier jaar afneemt. Tegelijkertijd is een sterke banengroei waar te nemen in de kernindustrieën van de nieuwe economie zoals de amusementswereld, de software- en computersector, adviesbureaus, onderwijs, gezondheidszorg en recreatie.

In Amerika gaat het proces waarbij oude bedrijfstakken wegkwijnen en plaatsmaken voor nieuwe kennelijk hand-in-hand zonder dat het leidt tot dramatische werkloosheid. “Maar aanpassing van werkgelegenheid aan de technische veranderingen is geen automatisch proces”, zegt Soete. “In Nederland staart men zich blind op werk voor laaggeschoolden maar de vraag naar routine-arbeid is dramatisch afgenomen.”

Gaan we toe naar een wereld met nauwelijks werk zoals de Amerikaan Rifkin beweert? Soete schudt het hoofd. “Het hangt er wel vanaf hoe je arbeid definieert. Wij vergoeden alleen commercieel werk, terwijl er ook volop ander werk te doen is. En als mensen geen werk krijgen omdat de vraag naar ongeschoolde arbeid afneemt, moet je zorgen voor scholing. Als er allerlei belemmerende regels zijn die innovatie verhinderen of nieuwe activiteiten bemoeilijken moet je die opheffen. Dat gaat in Europa veel te traag.”

McKinsey merkte onlangs in een uitvoerig onderzoek op dat talloze barrières om nieuwe produkten op de markt te brengen in West-Europa een zeker zo belangrijke oorzaak zijn van de hoge werkloosheid als de verstarde arbeidsmarkt. De Nederlandse vakbeweging kwam deze week met het opmerkelijke idee een innovatietoets in te stellen om ondernemers 'scherp' te houden.

“Negentig procent van de banendiscussie in Nederland gaat over de arbeidsmarkt en lonen. Slechts tien procent over de toegevoegde waarde die moet worden geleverd”, vindt ook Dany Jacobs, technologie-expert en werkzaam bij TNO in Apeldoorn. Het zou andersom moeten zijn. Een typisch bedrijf dat produkten maakt met hoge toegevoegde waarde is Océ van der Grinten in Venlo. De 11.500 werknemers leveren een omzet van 2,8 miljard per jaar aan hoogwaardig technologische kopieerapparaten. In 1960 was Océ nog een puur chemisch bedrijf, tien jaar later deed met de microprocessor de nieuwe technologie zijn intrede en intussen heeft het bedrijf samen met TNO een digitale milieuvriendelijke kleurenkopieerder ontwikkeld. “Welvaart begint bij technologie”, is het credo van topman dr. H. Pennings.

Nederland zou meer bedrijven moeten hebben die voldoende investeren in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe produkten en technieken. Maar wat blijkt? De inspanningen aan onderzoek en ontwikkeling zijn fors gedaald. Nog maar 1,7 procent van het nationaal produkt wordt aan research and development uitgegeven, terwijl dat in belangrijke Oeso-landen zoals Duitsland en Zweden met 2,3 procent opvallend meer is.

Dat is één reden waarom minister Wijers van Economische Zaken de technologienota schreef die hij volgende week zal toelichten. Zal hij als een Newt Gingrich op de top van de Derde Golf surfen om Nederland naar voren te trekken in de informatie-eeuw? Komen er topinstituten met excellente onderzoekers waar bedrijven niet omheen kunnen?

“De overheid heeft een essentiële rol te spelen”, zegt Soete. “Maar ze hobbelt achteraan. Er is sprake van een enorme paradox. Er wordt een geloofsbelijdenis afgelegd aan de vrije markt, terwijl allerlei imperfecties van de markt steeds duidelijker aan het licht komen. Tal van economen geven dat toe. En waar is de overheid? Ze kan een cruciale rol spelen om de kennisstructuur van Nederland te versterken en belemmeringen voor vernieuwing af te schaffen. Nieuwe activiteiten en technologieën zouden centraal moeten staan, want die genereren banen”.

Soete wijst op het activisme dat de Amerikaanse president Bill Clinton en zijn vice-president Al Gore aan de dag leggen. Het witboek van Jacques Delors, ex-voorzitter van de Europese Commissie, is volgens hem een goede aanzet. Soete: “Nodig is neo-Keynesiaanse stimulering met Schumpeteriaanse inslag.”