'In Zuid-Amerika valt goed te boeren'

DEN HAAG, 17 JUNI. De Nederlandse 'agribusiness' heeft grote kansen op de Latijns-Amerikaanse markt, die tot op heden nauwelijks worden benut. Vooral de voedings- en genotmiddelenindustrie, de tuinbouw, de intensieve veehouderij en de distributie-sector zou goede zaken kunnen doen op het Midden- en Zuidamerikaanse continent.

Dat blijkt uit de eerste zogeheten regiovisie, die door de directie industrie en handel van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij is opgesteld. Het departement wijdt volgende week een seminar aan de handelskansen voor de Nederlandse landbouwindustrie, waarbij minister Van Aartsen de regiovisie voor het eerst zal presenteren.

Landen als Canada, de Verenigde Staten en Japan, maar ook Europese lidstaten als Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk roeren zich de laatste jaren sterk in dit deel van de wereld. “Eigenaardig genoeg komt Latijns Amerika bij ons praktisch niet voor op de wereldkaart”, zegt ir. H. van Wissen van de directie industrie en handel en voorheen landbouwraad in Spanje, de Sowjet-Unie en Brazilië.

Hij wijst er op dat de Latijns-Amerikaanse economieën op grote schaal aan het liberaliseren, privatiseren en internationaliseren zijn. Daarbij zijn er vooral perspectieven ontstaan voor de Nederlandse landbouwindustrie, omdat deze landen van oudsher een relatief laag kwaliteitsniveau van de eigen voedselproduktie hebben gehad. Reden daarvan was dat aan de landbouw slechts de eis werd opgelegd te voorzien in de voedselbehoefte van de eigen bevolking. Daarin is een ommekeer gekomen en de producenten in Zuid-Amerika zijn van steeds groter belang voor de internationale economie door de ontwikkeling van hun exportgerichte landbouwsectoren. Daarbij spelen de tuinbouw en de intensieve veehouderij een belangrijke rol.

“Voor de Nederlandse landbouwindustrie liggen daar de aanknopingspunten”, zegt mr. drs. J.W. Duijzer van de directie industrie en handel. “Daarbij gaat het vooral om industriële toelevering en export van uitgangsmaterialen. Maar omdat deze landen zich bij hun uitvoer sterk richten op Europa zijn er ook belangrijke perspectieven voor de distributiesector”.

Een uitgebreide analyse die de afdeling heeft gemaakt laat zien dat de grootste kansen liggen in de zogeheten Mercosur-landen, vooral Brazilië en Argentinië. Mercosur is samen met Nafta de belangrijkste doorbraak op het gebied van regionale economische samenwerking in dit werelddeel. Op 1 januari '94 werd de vrijhandelsovereenkomst Nafta gesloten tussen de VS, Canada en Mexico. Een jaar later werd de douane-unie Mercosur gevormd tussen Brazilië, Argentinië, Uruguay en Paraguay. De Nafta-markt omvat 200 miljoen inwoners en geeft Mexico een gemakkelijker entree op de Noordamerikaanse markt op voorwaarde dat de produktie efficiënter en beter wordt. Mercosur vormt 'de gemeenschappelijke markt van het Zuiden' die 200 miljoen inwoners bedient. De overeenkomst voorziet in een stapsgewijs opheffen van douaneverplichtingen en andere handelsbelemmeringen. Bovendien wordt een gemeenschappelijk tariefbeleid - van maximaal twintig procent - gehanteerd voor produkten die van buiten de Mercosurlanden komen. De invoerbeperkingen voor landen buiten de huidige Mercosur waren vroeger soms vele malen groter.

“Beide overeenkomsten hebben inmiddels gewerkt als katalysator in het proces van regionale economische samenwerking”, zegt Van Wissen. “Voor Nederland is Mercosur niettemin aantrekkelijker dan Nafta. Mexico ligt als exportbestemming lastiger door zijn positie binnen Nafta. Dat neemt niet weg dat het land wel aantrekkelijk kan zijn voor investeerders”.

De opstellers van de regiovisie wijzen er op, dat op vrijwel het gehele continent sprake is van een sociaal-politieke situatie die redelijke waarborgen biedt voor een stabiele economische ontwikkeling. “Dat proces van liberalisering en privatisering is onomkeerbaar”, zegt Duijzer. “Misschien is het een ontwikkeling van twee stappen voorwaarts en één achterwaarts, maar over de richting is geen twijfel. De regeringen van de belangrijkste landen zijn recent gekozen of herkozen, dus dat beleid zal ook worden doorgezet. Van die autarkische politiek - de zelfvoorzienende agro-industrie die wordt beschermd door enorme handelsbelemmeringen - is definitief afscheid genomen”.

De agro-sector in deze landen is de afgelopen decennia door die autarkische politiek sterk achterop geraakt, omdat er buiten de op export gerichte bedrijven geen enkele impuls voor innovatie was. Het kwaliteitsniveau ligt dus laag en het assortiment voedings- en genotmiddelen is mager te noemen. “Je mag er dus van uitgaan, dat op allerlei manieren zal worden geprobeerd die achterstand in te halen”, zegt Van Wissen.

Binnen de Latijns-Amerikaanse agrarische sector ligt de nadruk nog altijd op produkten als koffie, soja, fruit en vlees, waarvoor Europa de belangrijkste afzetmarkt vormt. Tegelijkertijd zijn in het zuiden van het continent zeer moderne winkelketens - te vinden, waar stedelingen komen winkelen die vragen naar kwalitatief hoogwaardige voedingsmiddelen. Makro telt 27 vestigingen in Brazilië en dat zegt iets over de koopkracht van de bevolking. Het landbouwpotentieel is daarnaast door klimatologische en bodemkundige omstandigheden zeer groot en verre van optimaal benut. De landen geven nu prioriteit aan de opbouw van een landbouwindustrie, die is gericht op de niet-traditionele exportprodukten als exotische fruit en sierteelt en aan een verbetering van de kwaliteit van produkten voor hun eigen markt. “Dat verklaart de groeiende vraag naar moderne landbouwtechnologie, waarin Nederlandse bedrijven kunnen voorzien”, zegt Duijzer.

Uit de analyse van Van Wissen en Duijzer blijkt dat Argentinië, Brazilië en Mexico vijftig procent van de internationale agrarische handel van Latijns Amerika voor hun rekening nemen. En dat aandeel zal alleen maar stijgen, omdat juist deze landen het overtuigendst hebben gebroken met de autarkische politiek en het sterkst aan het liberaliseren zijn. Mexico kan worden gekenschetst als een land dat zowel kansen als bedreigingen biedt, door de positie binnen Nafta. Bij de opbouw van de tuinbouw zou Nederland kansen kunnen grijpen, maar tegelijkertijd kan er concurrentie uit Noord-Amerika worden verwacht.

Duijzer en Van Wissen menen dat de drempels om zaken te doen met Zuidamerikaanse landen dienen te worden verlaagd door meer informatie te verschaffen over de mogelijkheden die daar zijn. Daarnaast zou in Latijns Amerika beter bekend moeten worden gemaakt hoe up-to-date de Nederlandse agrarische sector is. Om de communicatie daarover te bevorderen zouden er intensieve contacten moeten worden gelegd met Nederlanders die al in Zuid Amerika zitten. Zo zijn in het zuiden van Brazilië de zogeheten ABC-koloniën, die zich daar begin deze eeuw hebben gevestigd vanuit Noord Drenthe. Begin jaren vijftig hebben zich in de buurt van São Paulo Brabanders gevestigd in een kolonie, die als Holambra bekend staat.

Het bedrijfsleven, de handelsbevorderende instellingen en de landbouwindustrie zouden gezamenlijk een strategie moeten gaan bepalen, menen Duijzer en Van Wissen. Ook met de diplomatieke landbouwvertegenwoordigers in São Paulo en Mexico zou intensiever moeten worden samengewerkt.

Voor volgend jaar zijn al activiteiten gepland om het belang van de Nederlandse 'agribusiness' in Latijns Amerika breder voor het voetlicht te brengen. Met name de intensieve veehouderij zal zich komend jaar mei nadrukkelijk gaan presenteren.

“Wij willen daarbij duidelijk een ondersteunende rol spelen”, zegt Duijzer. “Dat houdt in dat we marktverkenning en -onderzoek willen doen, sectorele handelsmissies willen verzorgen en begeleiden en voor informatie-uitwisseling willen zorgen door middel van periodieke publikaties. Daarnaast kunnen we proberen de markttoegang te verbeteren door het inventariseren van problemen, het analyseren daarvan en te proberen die weg te nemen.”