Hopend op sponsors investeert Amsterdam in cultuur

Sinds de Gouden Eeuw heeft de stad Amsterdam slechts twee grote culturele gebouwen neergezet: het Stedelijk Museum (1895) en het Muziektheater (1986). Carré werd in 1971 van Zwolsman overgenomen en vorig jaar verbouwd. Maar dat is dan ook alles. Felix Meritis (1787), Odeon (1838), het Concertgebouw (1888) en de Stadsschouwburg (1895) werden door particulieren gefinancierd. Den Haag betaalde het Rijksmuseum en het Tropenmuseum.

Deze week maakte het Amsterdamse gemeentebestuur bekend dertig miljoen te willen investeren in een uitbreiding van het Stedelijk Museum en in nieuwbouw voor Toneelgroep Amsterdam. Dat betekent dus bijna een historisch keerpunt. Eerder werd al vijftien miljoen toegezegd voor nieuwe huisvesting voor De IJsbreker, het Centrum voor Nieuwe Muziek. Het optreden van de huidige cultuurwethouder Bakker (D66) lijkt onverschrokken daadkracht na het zwakke optreden van zijn voorgangsters Baak (D66) en Luimstra (CDA). De laatste wilde zelfs de Kleine Komedie, Amsterdams oudste theater, sluiten.

Toch zijn de nieuwe Amsterdamse plannen minder doortastend dan ze lijken. De oorspronkelijke plannen van ex-directeur Wim Beeren voor uitbreiding van het Stedelijk Museum zijn inmiddels flink uitgekleed. Eerst tekende de Amerikaanse architect Robert Venturi een verdubbeling van het gebouw, waarvoor al die aanbouwsels aan de achterzijde moesten wijken. Nu gaat de Portugese architect Alvaro Siza Vieira een nieuw aanbouwtje tussen de vorige neerzetten.

Voor de uitbreiding van het Stedelijk, die 32 miljoen gaat kosten, betaalt Amsterdam zelf slechts 15 miljoen. De overige 17 miljoen komen van het rijk, als werkgelegenheidsimpuls. Die financiën zijn ook nog verknoopt met vergoedingen voor de verlegging van het riool op het Museumplein.

Voor nieuwe huisvesting van De IJsbreker en een aantal andere culturele organisaties van Toneelgroep Amsterdam heeft de gemeente tevens twee keer vijftien miljoen toegezegd. Ook deze plannen kosten elk veel meer dan die stedelijke bijdragen. De nieuwe IJsbreker op het nu nog sterk vervuilde terrein van de voormalige Westergasfabriek gaat 43 miljoen kosten. Voor deze verbanning van de eigentijdse muziek buiten de stadswallen wordt gehoopt op bijdragen van het rijk en Monumentenzorg. Maar er is ook hoop op sponsors: die moeten tien miljoen gulden fourneren. Verder is een omvangrijk exploitatietekort voorzien: 1,2 miljoen gulden per jaar.

Toneelgroep Amsterdam, dat de Amsterdamse Stadsschouwburg als vaste bespeler verliet, heeft de komende jaren het Transformatorhuis op dat terrein van de Westergasfabriek in gebruik. Daarna moet de bodemsanering beginnen en zou het mooi zijn als TGA terecht kan in het nieuwe theater. De nieuwe zaal zou aan de Marnixstraat moeten worden gebouwd op de huidige plaats van de bioscopen Calypso en Bellevue Cinerama. Dat is precies tussen theater Bellevue (nu al in gebruik bij TGA) en de artiesteningang van de Stadsschouwburg. Vroeger was dat “'s lands eerste podium”, nu klaagt directeur Cox Habbema dat haar budget sinds het vertrek van TGA te gering is om de kwaliteit in stand te houden.

Het nieuwe theater voor Toneelgroep Amsterdam gaat naar schatting 31 miljoen gulden kosten. Het lijkt èrg duur voor een kale zaal voor 600 toeschouwers. Amsterdam stelt 15 miljoen ter beschikking, voor de overige 16 miljoen wordt gerekend op alweer het rijk en alweer sponsors.

De vraag is of die hoop realistisch is. OCW-staatssecretaris Nuis (D66) heeft vast begrip voor de pleidooien van de Amsterdamse wethouder Bakker (D66). Maar Nuis liet al eerder weten dat zijn kunstbeleid ook erg veel sympathie heeft voor de culturele noden buiten de Randstad.

Sponsors krijgen steeds vaker de taak toebedeeld van de reddende engelen, als overheden tekortschieten. De bedragen die in Amsterdam nodig zijn om de gaten in de cultuurfinanciering te dichten zijn gigantisch. Sponsors zijn meestal uit op het bijdragen aan conventionele of prestigieuze kunstuitingen. Zoiets als een Mahler Feest, dat vinden zij prachtig. Maar de gemiddelde voorstelling van Toneelgroep Amsterdam en de eigentijdse muziek van De IJsbreker voldoen zeker niet aan criteria als 'conventioneel' of 'prestigieus'. Anders dan in vorige eeuwen lijkt daarom de hoop op omvangrijke financiering van de cultuur door particulieren, tegenwoordig 'de marktsector', een illusie.

Was het niet beter geweest als Amsterdam, in plaats van alles half aan te pakken, drie duidelijke keuzen had gemaakt? Een ècht grote uitbreiding van het Stedelijk, waarvoor waarschijnlijk juist wèl sponsors zijn te vinden. Bundeling van De IJsbreker en andere instellingen tot een organisatie die de eigentijdse muziek organiseert en propageert in de bestaande concertzalen in het hele land, zodat het gewone publiek die gaat ervaren als iets normaals. En een verstandige visie op het gebruik van alle bestaande, nieuwe èn te verbouwen theater- en bioscoopzalen rond het Leidseplein: Bellevue, Nieuwe de la Mar, Calypso, Cinerama èn Stadsschouwburg.