God vermomd in gelijktijdigheden

J.H. VAN DEN BERG: Metabletica van God. De drie voornaamste veranderingen

222 blz., Pelckmans/Kok-Angora 1995, ƒ 43,80

Metabletica of de leer der veranderingen, heette het boek waarmee J.H. van den Berg in 1956 verwarring stichtte. Nu is er een Metabletica van God verschenen, en het zal wel weer net zo gaan. De leer van Gods veranderingen: wat moeten we ons daarbij voorstellen? Eerst maar dat metabletisch perspectief op de geschiedenis. Van den Berg bedoelt er dwarsdoorsneden mee van een bepaalde tijd, een synchrone benadering van het verleden, die pas later wordt ingekaderd in een diachrone. 'Synchroon' is dus wat zich gelijktijdig op zeker moment in de geschiedenis voordoet. Beschrijving daarvan moet ons inzicht geven in fundamentele veranderingen die historisch plaats hebben gehad.

In Metabletica van God loopt dit procédé uit op een geschiedenisfilosofie, een theologie zelfs, of nog beter: een geloofsvisie. Het boek eindigt met 'veni creator spiritus' (Kom, Schepper, geest). De religieuze belangstelling die zijn werk kenmerkt, bereikt hier haar hoogtepunt.

God beschrijven gaat niet, zegt de schrijver, wel Gods veranderingen, want - ziedaar de clou - de synchronismen die Van den Berg uitkiest (dat woord gebruik ik met opzet), voert hij op als synchronismen van God. De leer der veranderingen moeten we in dit geval dan ook lezen als: de leer van Hem die verandert, de eerste Beweger die het er niet bij laat zitten en de geschiedenis over haar dode punt heen helpt, als ze zich zelf heeft vastgelopen.

Wat wil Van den Berg met deze merkwaardige leer van Gods metabletica? Voor ik daarop inga, een korte beschrijving van de synchronismen die hij aanwijst: we moeten ze zoeken in de natuur (natuurwetenschap), in de man/vrouw-relatie, de architectuur en in de mens als spreker van het woord.

Op die terreinen voltrekken zich verschuivingen die zich laten ontdekken als je gaat beschrijven wat zich synchroon voordoet. Van den Berg ziet met behulp van deze methode drie fundamentele veranderingen in de geschiedenis optreden, interpreteert ze dan ook alsof het over de 'Axenzeit' ging waarmee Karl Jaspers de geschiedenis probeerde te doorgronden.

Descartes Opvallend genoeg begint hij zijn beschrijving niet bij het begin, maar bij Descartes en kijkt vandaaruit terug naar het verleden. Niet zonder reden; Descartes is voor hem de grote boosdoener, de man die ons de wereld afhandig heeft gemaakt zoals Van den Berg haar graag had willen vasthouden: sacraal, kleinschalig, tijd als toekomst die open ligt. Descartes heeft de tijd aan de ruimte opgeofferd, het tijdloze en dus toekomstloze ding gecreëerd en daarmee de weg geopend voor onze moderne techniek en de daaraan horig geworden geneeskunde.

Die beide laatsten (plus Descartes) komen in het boek telkens terug, ze laten zien dat de periode Descartes (om het zo maar te zeggen) zijn tijd heeft gehad. Techniek en geneeskunde laten langzamerhand een bittere smaak achter, de nadelen beginnen de voordelen te overtreffen.

Om Descartes heen worden de fundamentele veranderingen gedrapeerd, die eraan voorafgingen. Hellas, dat wel de cultuur maar niet de religie aan ons naliet: het christendom nam de religieuze zuil over. Maar het bleef in zijn maag zitten met de onversneden seksualiteit van de Helleense cultuur, zegt Van den Berg (en verkondigt daarmee voor de zoveelste keer het achterhaalde cliché dat het christendom de seksualiteit geen ruimte gaf. Lees van Ussel voor betere informatie, zou ik zeggen). In de Grieks-Romeinse tijd leest Van den Berg de omslag af aan de veranderingen die zich voltrekken op het terrein van de architectuur. Uit de keizersfora werden de keizers verdreven, als menselijke markt bleven de fora over en daar stapte het christendom in, met zijn Christus (de Zoon des mensen). Het vormde de fora om tot de Constantijnse basilieken, een menselijke vorm van kerkbouw met kerkzijn als gemeenschapsbeleving.

Maar die ging weer ten onder in de tijd van de Renaissance: Bramante mocht van de paus de bouwvallige basiliek van Petrus herbouwen als grafkerk, de praalkerk genaamd Sint Pieter, niet berekend op mensen. Luther, aldus Van den Berg, schrok daar weer zo van, dat hij het uiterlijke verruilde voor het innerlijk ('alleen door het geloof, niet door de werken'), en zo zijn we weer terug bij het hoofdstuk over Descartes: de buitenwereld wordt 'ding' en de eigenlijke wereld speelt zich, noodgedwongen, af in de eenzaamheid van het innerlijk.

Revanche Ik kan zo wel doorgaan maar dat zou op een schier eindeloze rij van connecties en verbanden neerkomen, zoals Van den Berg die ziet liggen, en die stuk voor stuk moeten meehelpen om zijn synchronismen te beschrijven. Maar dat alles kan ook achterwege blijven. Het is vulsel, van hoog intellectueel gehalte, erudiet onder woorden gebracht, een genot om te lezen (als men tijd ervoor over heeft), maar het slaat nergens op, als men het wat kwaadaardig wil zeggen; en houdt men zich aan de aanwijzingen van de schrijver, dan bedoelt het allemaal plausibel te maken dat we wel degelijk van bepaalde, cruciale periodes in de geschiedenis kunnen spreken die een meerwaarde hebben. Omdat ze zo saillant zijn? Zeker, maar ze zijn zo saillant, omdat ze God als 'oorzaak' hebben (term van de auteur).

Elders spreekt hij van 'Gods gelijktijdigheden' en dan wordt het helemaal duidelijk: Van den Berg speurt naar God in de Geschiedenis. God zelf kunnen we niet betrappen maar wel zijn vermomming in 'gelijktijdigheden'. Van den Berg levert ons dus een periodisering van de geschiedenis, in de klassiek-theologische zin van het woord. De oude theologen deden het net zo: fasen aanwijzen die door Gods ingrijpen werden gemarkeerd.

Waarom is de schrijver zo verliefd op het aanwijzen van Gods gelijktijdigheden? Aan het slot is hij openhartig genoeg om ons dat uit de doeken te doen. Heel zijn constructie start bij het heden, bij de onmin van de schrijver met de tijd waarin hij leeft. De droom van Descartes (God is niet meer nodig) is (helaas voor mens en wereld) uitgekomen, het wachten is nu op een nieuwe verandering, even fundamenteel als de vorige drie, die een eind zal maken aan het heden, 'een revanche van God' op onze tijd, zoals de schrijver het noemt.

Daarmee is het duidelijk: uit zijn waarde-oordeel over onze tijd bekijkt Van den Berg het verleden, kleurt hij het in en construeert hij zijn omslagpunten. Er zit dus niets verplichtends in, noch religieus, noch wetenschappelijk. Als we heel de mensheid erin betrekken en niet alleen het Westen met zijn geschiedenis, kunnen we veel grotere synchronieën beschrijven, die er dan weer heel anders zullen uitzien en op heel andere punten van de tijd-as komen te liggen. Daarmee is Van den Bergs onderneming hartgrondig gerelativeerd. Maar aangenaam om te lezen voor iemand die in de Westerse cultuur is geïnteresseerd, dat blijft het.

    • H.M. Kuitert