Geletterde ketters

PETER BILLER en ANNE HUDSON (red.): Heresy and Literacy, 1000-1530

313 blz., geïll., Cambridge University Press 1994, ƒ 73,60

Onthutst nam bisschop Trefnant van Hereford kennis van de pakketjes met documenten die hem in de jaren 1390-1393 bereikten. Ze waren afkomstig van Walter Brut, een boer uit zijn diocees, en bevatten zeer ketterse ideeën. Dat het eucharistisch brood na de consecratie door de priester in het lichaam en bloed van Christus zou zijn veranderd, leek Brut ongerijmd. En hij zag er geen been in wanneer leken, ook vrouwelijke, preekten of de sacramenten bedienden. Aan het einde van de veertiende eeuw, kort na de dood van Wyclif, waren kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders op dit gebied wel wat gewend. Maar wat de tractaatjes voor de bisschop zo huiveringwekkend maakte, was dat ze in keurig Latijn waren geschreven en doorspekt met geleerde verwijzingen naar de bijbel, naar het canonieke recht en naar de kerkvaders.

Een geletterde leek met ketterse opvattingen brak het wereldbeeld van de bisschop in stukken. Hij had geleerd dat een leek per definitie ongeletterd was en dat een ketterse leek zijn overtuigingen niet voor een kerkelijk tribunaal kon verdedigen, zeker niet in vloeiend Latijn. Brut beantwoordt echter evenmin aan het beeld dat moderne historici zich van middeleeuwse ketters hebben gevormd.

Religieuze dissidenten zijn in de loop der eeuwen verschillende maskers opgezet: die van protestanten, marxisten, nazi's en feministen. Deze mythografie vindt nu een voortzetting in een volgende mode die wetenschappers in de gelegenheid stelt hetzelfde, al lang bekende, ingewikkelder en dus schijnbaar geleerder nog eens te vertellen. Op de achtergrond speelt daarbij de moderne Franse filosofie en literatuurtheorie een rol, dichterbij de explosie, op bijna alle gebieden van de humaniora, van boeken bezaaid met de woorden 'oraliteit' en 'tekstualiteit', meestal in verband gebracht met de (gecreëerde) tegenstelling tussen volkscultuur en elitecultuur. Ketters gelden thans als de exponenten van een ongeletterde volkscultuur die door de (clericale) elite niet of verkeerd werden begrepen.

De historici die in juli 1992 in Oxford voor een congres over de relatie tussen ketterij en geletterdheid bijeenkwamen, hebben zich niet aan dit soort constructies bezondigd. De acta van het symposium zijn nu bij Cambridge University Press verschenen. Uitgangspunt van de bundel is de constatering dat het aantal geletterden aan het einde van de Middeleeuwen aanzienlijk steeg. Tegelijkertijd deed zich een wildgroei van ketterse, deels proto-reformatorische stromingen voor. Wat is de relatie tussen beide feiten? Was die groeiende graad van geletterdheid een vruchtbare voedingsbodem voor het ontstaan en de verspreiding van populaire ketterijen of was ketterij juist een cruciale stimulans voor de toename van het aantal mensen dat kon lezen en schrijven?

Listigheid

Voor orthodoxe theologen was de ketter een 'topos', een irritante en gevaarlijke dwarsligger wiens eigenschappen eigenlijk al voor zijn verhoor bekend waren. Zijn karakteristieken konden zo aan de bijbel en de geschriften van de vroege kerkvaders worden ontleend. Hij was een ongeletterde, sluwe vos, die klaarblijkelijk door de baarlijke duivel werd geassisteerd en wiens gehoor uit onnozele schapen, waaronder 'de vrouwtjes' domineerden, bestond.

Aan de andere kant waren dit voor een deel juist de stereotypen waaraan de ketters zelf zich optrokken. Vele heterodoxen hadden immers het ideaal om het leven en de verkondiging van de eerste apostelen tegenover een verwereldlijkte, door dikbuikige theologen met dogmatische waterhoofden gedomineerde kerk weer tot leven te wekken. En die apostelen waren 'ongeletterde vissers', volgens de zesde-eeuwse primaat van Gallië. En dat wisten hun navolgers de kerk niet zelden in elegant Latijn voor te houden. Deze traditie van 'heilige ongeleerdheid' zou tot in de zestiende eeuw en later voortbloeien en zich onder andere uiten in het onder spiritualistische ketters populaire spreekwoord 'de geleerden de verkeerden'.

Dergelijke schema's dekken de historische werkelijkheid niet, zo wordt uit de bijdragen in deze bundel duidelijk. Ketterij veronderstelt geletterdheid. Iedere ketter heeft immers zijn letter. Heterodoxie vloeit in vele gevallen niet voort uit onwetendheid, maar uit geleerdheid, zij is vaak binnen de muren van de universiteit in academische disputaties ontstaan. John Wyclif, de dissident uit de late Middeleeuwen, doceerde in Oxford. Hij verwoordde zijn inzichten in geleerde tractaten, die ook buiten de universiteit onder alle lagen van de bevolking in al dan niet gepopulariseerde vorm aanhang vonden.

Ketterij bleek op haar beurt weer een voedingsbodem voor alfabetisme. De voordelen van een religieus boek boven die van een prediker werden al gauw duidelijk: het geschreven woord bleef, wanneer een vervolgde prediker moest vluchten; een boek kon gemakkelijker worden verborgen dan een mens; een tekst was constant, het gesproken woord vluchtig. Toegang tot het geschreven woord, de bekwaamdheid tot het lezen en (clandestien) vermenigvuldigen van teksten, is voor een ketterse stroming daarom van levensbelang, terwijl dat geschreven woord aan de andere kant (en om dezelfde redenen) het object van de destructieve neigingen van de inquisiteurs wordt.

Kerkelijke theologen kwamen op een gegeven moment tot het inzicht dat hun dissidente opponenten helemaal niet zo dom waren als de tekstboeken hun voorhielden. Catharen wisten het de verdedigers van de orthodoxie knap lastig te maken met argumenten die aan scholastieke spitsvondigheid niet voor die van de doctoren onderdeden. Als de geconsacreerde hostie inderdaad het lichaam van Christus is, wat gebeurt er dan wanneer een muis zich in de kerk aan het brood te goed doet? Eet zij Christus' lichaam? En is het beeld van zo'n aan een hostie knagende muis niet strijdig met de gedachte dat het lichaam van Christus onvergankelijk is?

De listigheid van hun vragen leidde er zelfs toe dat de ketters in de twaalfde eeuw de theologische agenda gingen dicteren. Naast het patroon van de slimme ketter tekenden zich andere typen af. De werken van Arnold van Villanova, een geestverwant van de spirituele Franciscaan Petrus Johannis Olivi, waren bestemd voor leken (Begijnen-gemeenschappen) in Barcelona en elders in Catalonië. De geletterde leider van een van de huizen, Willem Martí, fungeerde als intermediair tussen de geleerde teksten van Arnold en het ongeletterde gehoor van Begijnen; hij las de tractaten in publieke bijeenkomsten voor, zodat zijn aandachtige toehoorders de ketterijen in hun wild kloppende hart konden opzuigen. Het duurde dan ook niet lang of de bisschop van Tarragona begon een stringent vervolgingsbeleid tegen deze praktijken die “vele eenvoudige mannen en vrouwen” voor de verleiding van de notoire ketterij hadden doen zwichten.

Hier richt een theoloog zich dus tot een gehoor van nauwelijks gealfabetiseerde leken via een tussenfiguur die zijn gedachten voorleest en uitlegt. De tegenstelling tussen een geletterde 'elite' en het ongeletterde 'volk' is in de geschiedenis telkens overbrugd. Ook in de geschiedschrijving is dat nu gebeurd.