Een humorloos slag mensen

Niet lang geleden heb ik geschreven trots en dankbaar te zijn dat een 'humorloos land' als Nederland een humoriste van wereldformaat als Annie M.G. Schmidt heeft kunnen voortbrengen. Is Nederland een humorloos land? Sommige Nederlanders, zo heb ik kunnen merken, zijn het daar niet mee eens en vinden zo'n uitspraak ongepast. Kees Fens, die mij vereerde met een reactie in de Volkskrant (29-5-95), is het er, als ik hem goed heb begrepen, wel mee eens, maar ook hij vindt het geloof ik toch een ongepaste opmerking.

'Wie voor humorloos wordt uitgemaakt heeft geen verweer', schrijft Fens, 'Bevestiging is onmogelijk, ontkenning evenzeer... Discussie is uitgesloten.' Is dat waar? Ik kan mij zonder moeite voorstellen dat iemand bevestigt of ontkent dat Nederland een humorloos land is; de beschreven moeilijkheden ontstaan pas wanneer iemand het letterlijk op zichzelf betrekt.

Dat heeft in mijn ogen iets moedwilligs. Het zou bovendien betekenen dat over eigen nationale tekortkomingen geen enkele uitspraak kan worden gedaan; iemand moet dunkt mij op dezelfde manier kunnen zeggen dat Nederlanders ongemanierd zijn, hun taal slecht spreken, te vet eten en wat dies meer zij zonder dat dat als een soort landverraad wordt opgevat - want dat is au fond de implicatie wanneer iets niet gezegd mag worden, ook als 't waar is.

Discussie is uitgesloten, zegt Fens al discussiërend; helemaal hopeloos is het dus niet. Ik kan op mijn beurt trachten duidelijk te maken wat mij bij die omschrijving (van Nederland als een humorloos land) ongeveer voor de geest staat. Dat is namelijk niet een kwestie van wel of geen geestige schrijvers hebben, zoals Fens gelukkig ook inziet; het is, zoals hij schrijft, 'een absolute uitspraak'. Er zijn natuurlijk veel meer van zulke uitspraken; een goed voorbeeld is dat Italiaanse vliegtuigen herkenbaar zijn aan het feit dat ze haar onder hun vleugels hebben. Ook dat is iets dat 'geen enkele relativering verdraagt', en ook daarvoor geldt dat 'er niet de kleinste verzachting aan vooraf gaat'. Je kunt nu eenmaal niet, zoals Fens wil, gaan vertellen dat 'sommige' toestellen van Alitalia 'nogal' herkenbaar zijn omdat ze 'in zekere mate' haar onder hun vleugels hebben. Zulke uitspraken zijn inderdaad 'alles omvattend', het zijn namelijk stereotyperingen.

Als ik moet zeggen waar ik aan denk bij de uitspraak dat Nederland een humorloos land is, dan is dat merkwaardig genoeg in de eerste plaats aan de televisie. Een voorbeeld: niet lang geleden was er een bericht dat de lancering van de Space Shuttle moest worden uitgesteld omdat de isolerende plastic mantel van een brandstofreservoir de belangstelling van de plaatselijke spechten had opgewekt. Met behulp van afbeeldingen van uilen en een specialist in het maken van oehoegeluiden werd geprobeerd de spechten tot de aftocht te bewegen.

Dit gegeven zagen we niet alleen op het Nederlandse, maar ook op het Franse televisienieuws, waar we in onze geestelijke nood nog wel eens naar kijken. De beelden waren dezelfde, het verschil was louter verbaal; en helaas, dat verschil was nu precies wat mij doet verzuchten: 'wij Nederlanders (ik zonder mijzelf dus niet uit) zijn een humorloos slag mensen'.

Ach, denk ik dan, ten prooi aan diepe zwartgalligheid, zo is het hier met alles. Die huis-aan-huisbladenmentaliteit. Het analfabetische Nederlands. De mensen die op het televisiejournaal naar hun mening wordt gevraagd wanneer er wat gebeurd is: ook dat stelt tot vergelijkingen in staat, want die jammerlijke gewoonte bestaat in het buitenland ook. Als ik dan mijn landgenoten hoor krijg ik zin om me op te knopen. Of zou het waar zijn, zoals ik wel eens denk, dat de Nederlandse televisie met een superbe zwarte humor hiervoor opzettelijk alleen maar mensen met een IQ van minder dan dertig selecteert?

Misschien is het niet zozeer humorloosheid als wel armoede van geest waar het om gaat, zich vooral openbarend in dingen die de opzet hebben om leuk te zijn. Het is de leutigheid van Loekie de Leeuw, waarbij je de moedeloosheid om het hart slaat (en het gaat maar door, jaar in jaar uit). Of is het gebrek aan sofisticatie, zoals van Nederlandse politici in vergelijking met hun buitenlandse - ja zelfs Zwitserse en Scandinavische - collega's? De provincialiteit van de Nederlandse reclame, nog steeds met rijmpjes en liedjes en kirrende vrouwtjes? Is het gebrek aan boosaardigheid?

Het is natuurlijk waar dat wij op geen van die dingen het alleenrecht hebben; zo las ik nog onlangs in Anthony Powell, The Strangers All Are Gone (Deel IV van To Keep the Ball Rolling, Heinemann 1982): 'Het is verre van mijn bedoeling Amerikaanse gewoontes laatdunkend te inventariseren, maar sommige laten onvermijdelijk over de jaren een bepaalde indruk achter. Bijvoorbeeld, een Amerikaanse vriend, Bill Davis (-) die, sprekend over [Cyril] Connolly's chagrijnigheid tegenover bekenden die meer succes leken te hebben dan hij, eens zei: 'But I like my friends being successful'.'

Dat herinnert me aan nog iets anders: stichtelijkheid (niet hetzelfde als geloof). Dat was nog in mensenheugenis iets waar de hele Nederlandse samenleving aan leed, in de eerste plaats de literatuur bestemd voor kinderen. Dat is iets dat Annie Schmidt bijna in haar eentje uit de kinderliteratuur heeft verdreven; daarover ging die gewraakte passage eigenlijk (zou Kees Fens dat niet gezien hebben?): hoe het haar humor was die Annie Schmidt daartoe in staat heeft gesteld.

'De totaliteit van ons tekort die Kousbroek suggereert', schrijft Fens, 'moet naar een groter geheel verwijzen... Humor is een bijprodukt van een zeer levende cultuur.. een cultuur met tradities... Alleen het grote geeft de schaduw af die humor is.' Hier zijn Fens en ik het natuurlijk volkomen met elkaar eens. Ongetwijfeld zullen hij en ik elkaar geheel kunnen vinden in het volgende citaat: 'The deerhounds, from having lived for innumerable generations with man, have acquired a sense of humour, and can laugh. Their idea of a joke is that of the Natives, who are amused by things going wrong. Perhaps you cannot get above this class of humour until you also get an art, and an established Church.' (Karen Blixen: From an Immigrant's Notebook, Out of Africa).

Hoe komt dat? Een van de eerste dingen waar je aan denkt is uiteraard het onderwijs in de geschiedenis. Ruim een generatie geleden werd besloten dit onderwijs te moderniseren. Niet verwonderlijk maar wel betreurenswaardig, want er is, zo lijkt het, niets voor in de plaats gekomen. Vraag schoolgaande kinderen van nu iets over het verleden en je ontdekt dat in de plaats van de vroegere clichés over sterke en zwakke vorsten nieuwe clichés zijn gekomen over discriminatie en uitbuiting (en dat die clichés nog tyrannieker zijn). Voor zover ik weet is Nederland het enige land ter wereld waar ooit serieus is voorgesteld het hele geschiedenisonderwijs maar af te schaffen. We hebben immers al maatschappijleer.