De oogst in de Kaukasus

MICHAIL LERMONTOV (1814-1841) wist het anderhalve eeuw geleden al. Wie de Tsjetsjenen wil pacificeren, moet een held van onze tijd durven zijn. De Russen hebben dus per definitie een achterstand. In de woorden van Lermontov: voor de Russen is “de vrijheid geen god en de oorlog geen wet”. Voor hen is het evenmin een feit dat “goed met goed en bloed met bloed worden vergolden”. Bij de Tsjetsjenen ligt dat allemaal nog altijd wat anders. Want daar is “haat net zo tomeloos als liefde”, aldus Lermontov indertijd vanuit het Kaukasische kuuroord Pjatigorsk. Anno 1995 geldt dat eens te meer. De twintigste-eeuwse Rus is, door schade en schande, langzamerhand zelfs een beetje burger geworden en dus gesteld geraakt op veiligheid en voorspoed.

Het onderscheid dat Lermontov honderdvijftig jaar geleden beschreef voor zijn kleine schare lezers, openbaart zich nu aan iedereen in de wereld. Terwijl de Russische krijgsmacht en de binnenlandse strijdkrachten maandenlang het eenzijdig afgescheiden Tsjetsjenië stad voor stad en dorp voor dorp hebben platgebrand en ingenomen - roepend dat de oorlog met deze rationele methode snel voorbij zou zijn - heeft een relatief klein groepje Tsjetsjeense desperado's buiten de separatistische brandhaard een diepe historische haat gestalte gegeven. Eerst door woensdag in Boedjonnovsk de halve stad in gijzeling te nemen. En vandaag door zich letterlijk dood te vechten bij de bestorming waartoe de Russische regering eerder vannacht had besloten. De omvang van het geweld dat daarbij gebruikt is, laat zich dus raden. De gevolgen voor de slachtoffers eveneens. Rambo in het echt is misdadig.

Maar er zijn ook maatschappelijke consequenties aan deze ontknoping verbonden. De regering in Moskou heeft de gijzeling onmiddellijk terrorisme genoemd, in de hoop zo de internationale gemeenschap eenvoudig duidelijk te kunnen maken waar het in Boedjonnovsk om draait. Maar eigenlijk is het begrip terrorisme te mager en bovenal te politiek om er de gijzelingsactie, die in dit Zuid-Russische provinciestadje plaatsheeft, mee samen te vatten. De overval op Boedjonnovsk heeft alle kenmerken van een kamikaze-actie van martelaars in spe die de goddelijke dood adoreren en hun menselijke vijand minachten. De actie raakt Rusland dan ook fundamenteler, misschien zelfs wel dieper dan de vermoedelijk fascistoïde bomaanslag in Oklahoma in de Verenigde Staten twee maanden geleden.

DE MANNEN VAN warlord Sjamil Basajev hebben het jonge democratische Rusland een wrede lachspiegel voorgehouden. Allereerst hebben ze alles grondig voorbereid, zo illustrerend dat de inlichtingendienst van de Tsjetsjenen de nieuwe KGB aankan. Vervolgens hebben ze zich een weg langs de politie gebaand door de agenten bij de controleposten letterlijk een daalder per Tsjetsjeense strijder te betalen, daarmee in hun ogen bewijzend dat elke Rus voor een zilverling te koop is. Waarop het geweld tomeloos is botgevierd omdat, aldus Basajev op een heuse persconferentie in het door hem gegijzelde ziekenhuis, het er niet om gaat “dat we sterven maar hoe we sterven” en het dus ongepast is te proberen hen via geld en vrijgeleide om te kopen.

Duizenden Russische burgers in Boedjonnovsk, die de oorlog in Tsjetsjenië wellicht met dezelfde onverschilligheid hebben gevolgd als hun landgenoten elders, zijn aldus aan de superieure haat van Basajev uitgeleverd. En dat nu maakt de gijzelingsactie tot meer dan een lokaal drama ver weg in een streek waar ooit Michail Gorbatsjov werd geboren en zijn politieke carrière begon. De methode van Basajev en zijn timing reiken verder. De methode heeft aangetoond dat de veiligheid der burgers in Rusland niets voorstelt, alle krachtpatserij van de verantwoordelijke ministers van defensie, binnenlandse zaken en staatsveiligheid ten spijt. De timing heeft dezelfde Russen wakker geschud uit hun illusie dat de oorlog in Tsjetsjenië louter militair zou zijn te beslechten en brengt zodoende de herinnering aan Afghanistan weer dichterbij - ook zo'n zogenaamde conventionele oorlog waar vooral de zoons van ambteloze Sovjet-burgers zijn gestorven.

Beide aspecten raken president Jeltsin direct. Jeltsin wilde dit weekeinde buiten de grenzen schitteren op de top van de G-7 in Halifax als de leider van een echte maar wel bevriende supermacht, die volgens de statistici door het diepste economische dal heen lijkt. Hij is dus ook naar Halifax gegaan, terwijl in Boedjonnovsk de bestorming op til was. Maar in de Doema, een van de twee kamers van de Russische volksvertegenwoordiging, was gisteren voor het eerst sinds lange tijd weer echte kritiek op het staatshoofd te horen. En terecht. De opmerking van de president, dat hij weg kon omdat hij de situatie controleert, was belachelijk voor wie eerder had gehoord hoe vice-premier Jegorov en minister van defensie Gratsjov elkaar diametraal tegenspraken over de wijze waarop de gijzeling zou moeten worden opgelost. De eerste zei via geld, de laatste meende via geweld. Zijn vertrek was bovendien een pijnlijk bewijs dat de hoogste staatsleiding geen begrip heeft voor de angsten onder de bevolking. Niet voor niets is gisteravond Jeltsins voornaamste opposant Vladimir Zjirinovski, die de laatste tijd wat stil is maar intussen hard aan zijn partij-organisatie werkt, wél naar Boedjonnovsk gevlogen om de kiezers op zijn manier terzijde te staan.

ZJIRINOVSKI KAN vandaag daarom al politiek bedrijven met de gebeurtenissen in Boedjonnovsk. Jeltsin daarentegen moet in Halifax aan een politiek vervolg op veel langere termijn nadenken. Want met de bestorming van vanochtend hebben de zogenoemde 'geweldsministers' (Gratsjov, Jerin van binnenlandse zaken en Stepasjin van de staatsveiligheidsdienst) wederom een stempel op Rusland gedrukt. Als die militarisering doorgaat, kan een sfeer ontstaan die geen ruimte laat voor maatschappelijke verzoening maar juist een campagne tégen Tsjetsjenen (of wie daar op lijken) zal stimuleren. En aldus een gevaarlijk etnisch conflict in de hele Kaukasus, een gebied waar bijna honderd verschillende volkeren wonen die elkaar niet beminnen behalve als ze de Russen mogen haten.

Jeltsin kennende, houdt dat perspectief hem niet echt bezig. Mede daarom lijkt na de bestorming van Boedjonnovsk de tijd aangebroken voor de oogst van wat sinds de zogenaamde politionele actie in Tsjetsjenië in december vorig jaar en de daarop volgende behoorlijk vuile oorlog is gezaaid: een permamente noodtoestand. Met alle gevolgen voor de maatschappelijke verhoudingen in Moskou en elders in Rusland vandien. Alleen al daarom is het geweld in Boedjonnovsk niet veel verder van ons bed dan de bomaanslag in Oklahoma.