De mythe van de Stones; Een plaatje in mijn portemonnee

De Rolling Stones hebben in de jaren zestig de generaties uit elkaar gespeeld. Dertig jaar later overbruggen ze de culturele kloof met gemak. Drie redacteuren bezochten de concerten in Nijmegen, op zoek naar hun eigen Stones van de jaren zestig, zeventig en tachtig.

In de volle stadsbus nemen enkele fans nog even hun strategie door. “Ik ben niet van plan me lam te gaan zuipen”, zegt de een. “We moeten proberen zo veel mogelijk vooraan te komen”, stelt de ander voor.

Om kwart over vier zijn we bij het Goffertpark, dat al aardig gevuld blijkt. Ik nestel me, met paraplu, op zo'n vijftig meter afstand, bijna midden voor het immense podium. Samen met buurman Eric (42) uit Rotterdam nemen we de omzittenden op. Enkele twintigers, vooral veel dertigers en veertigers, taxeren we. Zijn eigen komst motiveert Eric met “jeugdsentiment van een oudere jongere”.

Als je Paradiso meetelt, zijn de Stones deze week voor de tiende keer voor optredens in Nederland. Het eerste concert, op 8 augustus 1964 in het Scheveningse Kurhaus, eindigde in een chaos. Het Algemeen Handelsblad schreef over “de langharige Engelsen... in hun ongewassen plunje en met hun ongepoetste schoenen”, en concludeerde: “Met dat al hebben The Rolling Stones hun populariteit nu ook onder de Nederlandse tieners gevestigd. The Beatles staan bij velen misschien nog bovenaan, maar dat zal wel niet lang meer duren”.

Bij mij (jaargang '51) in elk geval niet. In mijn Rijam-schoolagenda 65/66 zijn de meeste plakplaatjes van de scheppers van 'Satisfaction', 'As tears go by', '19th Nervous breakdown'. Ze overschaduwen The Kinks en The Animals, waar ik ook wat mee had. In mijn eigen top-tien van dat schooljaar prijkt 'Paint it black' op de eerste plaats. Het was zoals Pete Townshend van The Who zei: “De Beatles waren leuk, maar de Stones schudden je wakker”. Een fuif zonder veel Stones was waardeloos. Met ook altijd weer 'The last time' en 'It's all over now', waarin een obscene parafrase van de vijfde regel diepe indruk maakte. Niet veel later haakte ik af, al hield ik een fotootje van de Stones mèt Brian Jones in mijn portemonnee, tot op de dag van vandaag. Alleen de LP Exile on main street (1972) kreeg me nog in de greep, met het verrukkelijke 'Sweet Virginia', waar we in de kelder van de plaatselijke muziektent zo lekker in konden opgaan. Het zou mijn favoriete Stones-nummer blijven. Pure mazzel bezorgde me vijf jaar geleden kaartjes voor het Urban Jungle-concert in het Feyenoord-stadion. Het was voor de Stones, na bijna twee decennia vol drugs, ruzies en egotripperij, het feest van hun wonderbaarlijke wederopstanding. Ik juichte en beleefde opnieuw dat je Stonesnummers kunt meezingen zonder de tekst precies te kennen.

Hoe zou het ze dit keer vergaan? Waren ze inderdaad “overjarige totempalen” geworden, “die ooit, lang geleden, een paar mooie liedjes” hebben gemaakt, en die sindsdien “op basis van die afgekloven, met een vette mengelmoes van rhythm'n blues en rock'n roll geperfectioneerde deuntjes, de wereld rondtrekken om voor eeuwig hetzelfde kunstje te laten zien”, zoals columnist Peter Sierksma vorige week in Trouw schreef? Of vervolgden zij hun huzarenstukje, door eerst de culturele revolutie een flinke zet te geven, en door nu de kloof, die mede daardoor ontstond, te dichten?

Het wachten, ook al is het op de Stones, wordt afzien, zeker als het voorprogramma van The Robert Cray Band niet weet te boeien en iemand vlak achter me zijn plas niet op wil houden. Maar om kwart over negen zijn de magiërs van de Voodoo Lounge eindelijk zo ver. 'Not fade away' knalt oorverdovend uit de muur van meer dan 300 geluidboxen. Gedurende twee uur volgt een daverende muziek-, licht-, video- en modeshow, waarin de Stones zeker een tiental pronkstukken uit hun schatkamer tonen.

Bless you

En toch, er is iets aan de hand. Hoezeer Mick Jagger zich ook uitslooft, welke instrumentale hoogstandjes de andere Stones ook ten beste geven, en hoezeer de vocalisten Lisa Fischer en Bernard Fowler elkaar ook opgeilen, de vonken slaan niet echt over. Het applaus is veelal lauw, zelfs obligaat.

Aan de Stones zelf ligt het niet, vindt Hans (45) uit Bodegraven, fan van het eerste uur en al zeven keer eerder bij hun optredens. Ook al hebben ze met hun mobiele multinational tijdens deze wereldtoernee al meer dan honderd concerten in Noord-Amerika, Zuid-Afrika, Australië, en Scandinavië gegeven, ze maken een geïnspireerde indruk. “Het heeft meer inhoud dan vijf jaar terug in de Kuip, de muziek is veel verzorgder. Maar de sfeer is minder”. Volgens Els (43) uit Warnsveld is het te grootschalig. Johan (44) uit Lonneker spreekt van “een grandioze happening” met toetsenist Chuck Leavell als uitblinker. Zijn zoon Gijs (13) zegt: “Papa, ik vind het hartstikke gaaf.”

Bij mezelf is er lichte irritatie. Over Keith Richards' banale “It's good to be back”, vrijwel onmiddellijk gevolgd door “It's good to be everywhere”. Wat is dat voor grenzeloze naiviteit? Weet ie niet beter? En over Mick Jaggers “God bless you”. Heeft ie God ontdekt? Of ziet hij soms zichzelf als hogepriester van de zegen?

Om kwart over elf is het voorbij. Mijn coupé in de extra trein naar huis is tevreden. Vermoeid vang ik nog op: “Een geweldig spektakel, maar echt ráken doet het me niet meer”. En: “Laten we eerlijk zijn: Er gaat niets boven de Stones in een club”. Veertigers, zo te zien.