Aap met schuldgevoel

ROBERT WRIGHT: The Moral Animal. Why we are the way we are: The new science of evolutionary psychology

470 blz., Pantheon books 1994, ƒ 54,20

Enkele jaren geleden voerde de Amerikaanse psycholoog David Buss een experiment uit, waarbij hij her en der wat elektroden plaatste op het lichaam van mannen en vrouwen. Vervolgens vroeg hij hun zich bepaalde situaties voor te stellen. Toen de mannen gevraagd werd zich in te denken dat hun vrouw de liefde bedreef met een andere man, ging hun hartslag met sprongen omhoog. Bleef het beperkt tot wat liefkozingen en een cadeautje, dan was hun lichamelijke reactie veel minder sterk. Bij vrouwen was de reactie juist andersom. Dat hun partner 'het' met een ander deed raakte hen wel, maar de sterkste lichamelijke reactie werd uitgelokt door de gedachte dat hun man zorg, warmte en presentjes aan een ander gaf.

Voor Robert Wright is het onderzoek van Buss een bevestiging van de theorie dat niet alleen onze lichamelijke kenmerken, maar ook gedrag en emoties het resultaat zijn van de evolutie. Wright is redacteur van het tijdschrift The New Republic en auteur The Moral Animal. Hij meent dat er een nieuw wetenschappelijk paradigma is ontstaan: de evolutionaire psychologie. Een paradigma, dat niet alleen relevant is voor biologen, maar ook gevolgen heeft voor de manier waarop we kijken naar mens en maatschappij.

De evolutionaire psychologie als nieuwe hoofdstroming begon twintig jaar geleden met de publikatie van het boek Sociobiology van Edward Wilson, een van de beste biologen van onze tijd. Op basis van zijn onderzoek bij mieren kwam hij tot de conclusie dat ook het gedrag van mensen het produkt is van de evolutie en daarom in ieder geval voor een deel erfelijk is bepaald.

Ongeveer te zelfder tijd verscheen The Selfish Gene van de evolutiebioloog Richard Dawkins. Op grond van de moderne inzichten was hij tot de conclusie gekomen, dat de motor van de evolutie wordt gevormd door genen, erfelijk eigenschappen, die streven naar een maximaal aantal kopieën van zichzelf. De mens, of willekeurig welk ander dier ook, is in die visie niets meer dan een vehikel om egoïstische genen van de ene generatie naar de andere te brengen. Een biologisch kopieerapparaat waarvan de kenmerken grotendeels vastliggen in de genen. De omgeving ('nurture') beïnvloedt hooguit de afstelling van de knoppen (iets donkerder of iets lichter).

Het eerder aangehaalde verschil tussen mannen en vrouwen in hun reactie op ontrouw kan evolutionair als volgt worden verklaard. Voor mannen is de grootste angst dat ze tijd en energie steken in het genetisch materiaal van een ander. Omdat dat ten koste van hun eigen genen gaat, is dat evolutionair gezien niet erg verstandig. Vrouwen daarentegen weten zeker dat hun nageslacht ook hun erfelijk materiaal draagt. Hun grote angst is dat hun nageslacht - hun genen - te gronde gaat door gebrek aan vaderlijke zorg.

Rassenleer

Die angst is zelfs in onze tijd niet overdreven. Kinderen zonder vader doen het in de Verenigde Staten, volgens Wright, gemiddeld slechter dan kinderen uit een volledig gezin. Niet alleen op school en in het werk, maar ook in relaties. De reactie van vrouwen op 'emotionele ontrouw' is dus niet geheel uit de lucht gegrepen.

De sociobiologie is in Nederland nooit goed van de grond gekomen. Mede door de filippica's van columnist Piet Grijs tegen de criminoloog Buikhuizen werd het vak in ons land al snel in de hoek gezet van eugenetica en rassenleer. Ten onrechte. In de sociobiologie gaat het niet om genetische verschillen tussen mensen of volkeren; de sociobioloog zoekt juist naar overeenkomsten in verschillende culturen om na te gaan welke gevoelens en gedragingen een erfelijke component hebben. Terwijl de sociobiologie in Nederland een vrij marginaal bestaan leidde, is het in de Verenigde Staten uitgegroeid tot een respectabele tak van wetenschap.

Inmiddels zijn er ook weer verbindingen gelegd tussen sociobiologie en de psychiatrie. 'Weer', omdat ook Sigmund Freud al een verklaard voorstander was van de evolutieleer van Darwin. Freud liet zien dat de mens maar zeer ten dele baas is over zijn gedachten en gevoelens. Uit de krochten van het onderbewuste komen oncontroleerbare impulsen die het in het superego beredeneerde gedachten en emoties verstoren. Volgens sociobiologen is dat heel wel verklaarbaar. Gedachten en gevoelens worden volgens hen voor een belangrijk deel bepaald door de evolutionaire noodzaak om genen maximaal te verspreiden. Een drang die zich in Freudiaanse termen laat vertalen in het instinctmatige 'Es', het beest in de mens.

Volgens Wright dwingt de evolutie ons ertoe om ons moreel besef in een ander licht te zien. De menselijke waarden en normen, het oordeel over goed en kwaad - het zijn niet meer dan een toevallig produkt van egoïstische genen. Die gedachte is meer dan honderd jaar geleden ook al door Darwin zelf geuit. In zijn The Descent of Man, dat twaalf jaar na The Origin of Species verscheen, schreef hij dat als de menselijke samenleving het patroon van de bijensamenleving zou hebben, de werksters hun broers zouden doden en de koningin hetzelfde zou doen met haar vruchtbare dochters. “En niemand zou er over denken om in te grijpen.” Goed en kwaad zijn kortom geen eeuwige waarden, maar vormen slechts wapens in de dagelijkse strijd om de genen te kopiëren.

De vraag is natuurlijk waarom de mens, anders dan bijen en mieren vermoedelijk, beschikt over schuldbesef. Wat kan daarvan het evolutionaire voordeel zijn geweest? Volgens Wright moeten we voor een antwoord te rade gaan in de speltheorie. Die laat zien dat er bepaalde nonzero sumgames zijn, waarbij alle deelnemers winnen.

Voor een individu in de verre prehistorie was het doden van een wild varken misschien nog wel mogelijk, maar voor het doden van een olifant moest hij - of zij - met anderen samenwerken. Dat levert meer op dan de optelsom van individuele acties. Schuldbesef in de loop van de evolutie ontstaan kunnen zijn als een prikkel tot samenwerking. Jager-verzamelaars die - toevallig - die eigenschap ontwikkelen, werken beter samen en zijn daardoor materieel en dus ook genetisch in het voordeel. De evolutie leert dat elke eigenschap die genetisch voordeel oplevert zich door de gemeenschap verspreidt.

Synthese

Wright beweegt zich hier in het schemergebied van speculaties. Dat weerhoudt hem er niet van een stap verder te zetten. Doordat de evolutie ons heeft opgezadeld met schuldbesef kunnen we er, volgens hem, ook maar het best zo goed mogelijk gebruik van maken en er een moraal op trachten te baseren.

Ingrediënten voor een dergelijke biologisch verantwoorde moraal worden, volgens Wright, geleverd in twee boeken die, toevallig, in hetzelfde jaar (1859) zijn verschenen als waarin Darwin zijn Origin of Species publiceerde. Het zijn On Liberty van John Stuart Mill, dat de basis legde voor het humanisme dat streeft naar het maximale geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen. En Self help van Samuel Smiles, dat de Victoriaanse waarden van zelfbeheersing, integriteit en ijver bepleitte. Een synthese van beide, overigens nogal strijdige moraalfilosofieën is, aldus Wright, waarschijnlijk de beste manier om onze evolutionair bepaalde driften in toom te houden en toch nog enigszins prettig samen te leven.

Wrights speculaties over moraal lijken eerder geïnspireerd door de ellende van gebroken gezinnen en alleenstaande moeders in de Verenigde Staten, dan dat ze zijn gegrondvest op de evolutionaire verklaring van gedrag. Dat doet echter nauwelijks afbreuk aan zijn boek. Naast een overzicht van allerlei interessante concepten uit de evolutionaire psychologie confronteert het de lezer met de vraag of hij meer is dan een aap met een toevallig schuldbesef.

    • Joost van Kasteren