Wat koelte achter het lover

Een van de in onbruik geraakte tradities van Poetry was de Poetry International Serie, overzichten van poëzie uit verschillende landen die losjes gekoppeld waren aan de 'landenavonden'. “Het mooist vind ik zelf de Italiaanse poëzie die het dicht bij de aarde zoekt”. Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn gegaan.

Tien moderne Italiaanse dichters. Samengesteld en vertaald door Karel van Eerd. Poetry International Serie, Uitg. Meulenhoff. Voor ƒ 14,90 bij De Slegte.

Omdat Poetry International vanavond weer begint, voor deze rubriek maar eens naar de poëzie-afdeling van De Slegte gegaan. Daar kom ik nooit, want ik wil er niet al te vaak aan herinnerd worden dat poëzie oorlog is. Maar als u ooit krap bij kas bent en toch een geliefde een mooie verzameling Nederlandse poëzie cadeau wilt doen: haast u derwaarts, u kunt er voor een habbekrats een keur van prachtige gedichten kopen.

Mij confronteerde de gang naar het antiquariaat ook weer eens met een verschijnsel dat ik nooit heb kunnen begrijpen: je kunt in Nederland geen dag op de kalender prikken of er leest wel ergens een dichter voor in een zaaltje met een geïnteresseerd publiek, een paar duizend mensen zitten elk jaar de nacht van de Poëzie in Utrecht uit, Poetry International heeft publieken van een paar honderd tot soms wel duizend mensen per avond - maar al die mensen kopen geen poëzie, anders zouden er niet zo veel beroemde, prachtige, geprezen dichters bij De Slegte liggen.

Een van de mooiste poëziereeksen die in Nederland is uitgegeven was gekoppeld aan het Rotterdamse festival: de 'Poetry International Serie' van Meulenhoff. De uitgaven in de reeks waren losjes gekoppeld aan de 'landenavonden' van Poetry, een van de (tijdelijk?) in onbruik geraakte tradities van het festival. Op zo'n avond stond een land of een taalgebied centraal, en kreeg je een indruk van wat er in soms totaal van de onze verschillende tradities in de moderne poëzie werd gedaan. Ik bewaar bijvoorbeeld mooie herinneringen aan de Avond van de Italiaanse poëzie in 1984, ook al omdat de daar optredende dichters (onder wie Attilio Bertolucci, Franco Fortini, Antonio Porta, Amelia Roselli en Edoardo Sanguineti) tevens een stuwende kracht waren in het Dante-vertaalprojekt van dat jaar, dat uitmondde in een meeslepende presentatie van dichters uit vele landen, samen met het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Dus kocht ik bij De Slegte in een stemming die wisselde tussen vreugde om de aanschaf en verbazing over het feit dat zo'n mooi boek daar lag Een tak van denken, Tien moderne Italiaanse dichters, samengesteld en vertaald door Karel van Eerd, voor slechts ƒ 14,90. De mooi uitgegeven bundel bevat niet alleen werk van een aantal van de bovengenoemden, maar is door Van Eerd uitgebreid tot een wat ruimere staalkaart van de moderne Italiaanse poëzie die nog altijd geldig is, al is er in de zes jaar sinds het verschijnen wel weer het een en ander gebeurd.

Van Eerd heeft een aantal dichters die op Poetry International waren niet opgenomen (Bertolucci en Porta bijvoorbeeld), volgens zijn inleiding vanwege de omvang van het boek. Daar staat tegenover dat dichters als Maurizio Cucchi (die later op Poetry kwam), Milo de Angelis, Valerio Magrelli, Nanni Balestrini en Valentino Zeichen wel met werk zijn vertegenwoordigd, waarmee hij ook de (toen) jongere generatie aan bod laat komen.

De bundel is een onderdompeling in een poëzie die in mijn ervaring vooral van de onze verschilt doordat zij voor een groot deel zoveel minder hermetisch is dan veel poëzie die na de jaren vijftig bij ons verscheen, zo veel meer op maatschappelijke en politieke thema's gericht, behalve bij de jongsten. Van Eerd wijst op de traditie van de poesia civile in Italië, de poëzie die de samenleving een spiegel wenst voor te houden; ook de dichters die op die traditie reageren kunnen zich tegelijkertijd niet onttrekken aan de noodzaak positie te kiezen - al is het maar in de ironische afwijzing van de traditionele ideologieën. Duidelijk is dat bijvoorbeeld in het begin van een gedicht van Milo de Angelis (1951):

Dat je op aarde je leven inzet voor een

volmaakte

zet, het volmaakte ogenblik, en echt

zonder bluffen zegt 'ik zet mijn leven in'

en niet het kind bent dat valt

denkt dat je zelf pijn hebt, en die pijn

wordt

en evenmin het tegendeel, het ondoor-

grondelijk

morgen (-)

Het mooist vind ik zelf de Italiaanse poëzie die het dicht bij de aarde zoekt, waarin het landschap haast als een persoon aanwezig is en je de geuren ervan ruikt, zoals bij Pavese en Montale. In deze bundel overkwam mij dat bij een gedicht van Giorgio Caproni (1912). In 'De laatste inwoner van La Moglia aan het woord' (La Moglia is een dorp in de Apennijnen) verwoordt hij voor mij volmaakt de verbondenheid van een simpele man met de aarde, de omgeving waar hij mee vergroeid is, en tegelijkertijd de onmogelijkheid die aarde te bewonen als er geen gemeenschap meer is waarmee hij zijn ervaring kan delen:

(-)Ik ben oud.

Wat doe ik hier nog, waarom draal ik

hier hoog, waar binnenkort misschien

ik zelf niet eens meer er zal zijn

die mij gezelschap houdt?

Liever - weet ik wel - moest ik gaan

voordat ik zelf ook nog vertrek.

Maar ik kan niet beslissen. Ik blijf.

Het groen houdt me hier. De bomen.

De rivier. Al is de rivier hoogstens

een geluid en wat koelte

achter het lover.

(-) 's Avonds

zit ik op deze kei, te wachten.

Op de slaap. De dood zou ik zeggen, als

ook die niet

- een tijdje geleden al -

was vertrokken

uit deze streek.

Alleen voor zo'n gedicht zou je toch best al veertien gulden willen betalen.