Tribale vernietigingsdrang slaat ook toe in Somaliland

Somaliland is een Britse kolonie die zich in 1960 na zijn onafhankelijkheid bij het voormalige Italiaanse Somalië voegde om één natie te vormen. Maar in 1991 scheidde het zich weer af. Hoewel de toestand er veel beter is dan in Somalië, trekt ook hier clanrivaliteit een vernietigend spoor.

SHEIH/HARGEISA, 16 JUNI. Ahmed zet zijn mutsje scheef op zijn kalende hoofd, neemt een blaadje van zijn bundeltje qat en begint te praten. “Kijk, als jij alles opschrijft wat er in Somaliland gebeurt, dan lijkt de toestand ernstig. Maar wij Somaliërs zijn nomaden. We trekken weg uit een stad als er oorlog uitbreekt en stichten elders een nieuwe. Zo hebben we dat geleerd, het nomadische zit ons in het bloed.”

De oude Ahmed leeft in Sheih. Hij kan zich nog de Britse kolonisten van Somaliland herinneren, die in dit bergstadje afkoeling zochten na de kokende hitte op de savannes bij de Rode Zee. Lang kan hij verhalen over de tradities en geschiedenis van zijn volk. Een verklaring voor de drang tot destructie die ook hij waarneemt onder de Somaliërs, heeft hij niet.

Die vernietiging trof uiteindelijk ook het hospitaal van Sheih. Bij de afscheiding van Somaliland van Somalië begin 1991 bleef het ziekenhuis in tegenstelling tot de meeste andere gebouwen onbeschadigd. Van de röntgenapparatuur hoefde alleen de stekker in het stopcontact te worden gestoken. Nu staat de peperdure machine er zwaar gehavend bij en in de operatiekamer nestelen zwaluwen. Bij een clanoorlog in 1992 koelden jonge strijders van een andere clan dan die in Sheih hun woede op het röntgenapparaat. “Zinloos en onbegrijpelijk, al dat geweld”, verzucht Ahmed.

Vernietiging volgde op vernietiging. Voor een brok felgele muur van wat misschien de badkamer was, heeft een man in de open lucht zijn kapperszaak ingericht. Een schaar, een scheerkwast en een stuk spiegel vormen zijn kapsalon tussen de puinhopen van Hargeisa, de hoofdstad van Somaliland. Iets verderop loopt een andere man rondjes. “Ik val naar beneden, ik val naar beneden”, roept hij terwijl hij wild op zijn borst slaat.

Jarenlang was er in Somaliland geen onderwijs; het enige dat de jongeren leerden, was overleven in gewapende anarchie. Niet alleen de infrastructuur raakte door de oorlogen zwaar beschadigd maar ook de psyche van de mensen. Velen werden gek.

In 1988 besloot de Somalische regering van president Siad Barre Hargeisa van de aardbodem te vegen. Want de half miljoen inwoners van Hargeisa behoorden tot een andere clan dan de zijne en sympatiseerden met de opstandige Somalische Nationale Beweging (SNM). Met de regelmaat van de klok stegen bommenwerpers van de luchthaven op twee kilometer buiten de stad en lieten hun bommen vallen. In 1991 lag ruim 90 procent van Hargeisa in puin en woonden er geen mensen meer. Dat was de eerste keer.

Twee jaar later was de wederopbouw van de grond gekomen. Er rustten weer golfplaten daken op de muren en door enkele pijpen stroomde water. Toen braken vorig jaar november nieuwe gevechten uit. De bevolking vluchtte opnieuw.

Gevels waarvan de kogelgaten waren dichtgemetseld, hebben nu opnieuw een pokdalig aangezicht. Een gapend gat in het dak van de lagere school toont waar een mortiergranaat ingeslagen is. Inmiddels is driekwart van de mensen weer terug. Maar de wijk rond de luchthaven is leeg gebleven want daar woonden de leden van de Idagale-clan die het onderspit dolf in de strijd met de troepen van de nieuwe regering van Somaliland.

Na de gevechten rond Hargeisa volgde een oorlog op nog grotere schaal in 's lands tweede stad, Burao, waar de Haber Yunis-clan die verwant is aan de Idagale, zich in de strijd tegen de regering wierp. De hoop dat Somaliland de tribale xenofobie van Somalië zou ontsnappen, leek vervlogen.

De guerrillastrijd tegen de Somalische president Siad Barre begon in dit noordwestelijke gedeelte van Somalië al in 1981 met de oprichting van het SNM. De bevolking is er relatief homogeen, vrijwel alle twee miljoen inwoners behoren tot de Isaq-clan, hoewel deze weer in vele sub- en sub-sub-clans is verdeeld. De Somalilanders voelden zich toen een eenheid wegens hun aparte koloniale verleden en door hun oorlog tegen het regeringsleger uit het zuidelijke Mogadishu. Een SNM-regering riep eenzijdig de onafhankelijkheid uit op 18 mei 1991. Geen enkel land erkent Somaliland echter.

Direct na de wedergeboorte van Somaliland raakte de zwakke SNM-regering verwikkeld in clanoorlogen in Burao, Berbera en Sheih. Ordeloze militieleden maakten iedere Somalilander het leven onveilig. Traditionele clanoudsten maakten een einde aan de gevechten, zij riepen alle politici bijeen en zetten in 1993 de regering af. Na zes maanden overleg in het stadje Boroma kozen zij een nieuwe regering onder leiding van de oudgediende politicus Ibrahim Egal. In Somaliland had de rede gezegevierd, de wijze oudsten hadden bewezen zonder inmenging van de buitenwereld op traditioneel Somalische wijze, dwz. na eindeloos overleg, vrede te kunnen stichten. Een gevoel van trots en zelfvertrouwen vatte post in Somaliland.

Ondanks de recente gevechten in Hargeisa en Burao is de situatie in Somaliland opmerkelijk veel beter dan in Somalië. President Egal slaagde er in om 55.000 leden van verscheidene clanmilities te ontwapenen en een nationaal leger van 15.000 man te vormen. Daar waar eens wilde, door het verdovende middel qat gedreven militieleden de wegen onveilig maakten, zwaaien nu vriendelijk ogende regeringssoldaten in netgestreken uniformen naar voorbijgangers. Politieagenten in blauwe pakken bestrijden de kleine misdaad. Belastingambtenaren doen hun werk. Ook op de zeer lucratieve import van qat uit Ethiopië heffen ze belasting. Berbera heeft zich weer ontwikkeld tot een drukke havenstad voor de Hoorn van Afrika met een jaarlijkse omzet van 170 miljoen dollar aan import en 140 miljoen aan export, vooral van vee naar Saoedi-Arabië. Er is een nieuwe munteenheid geïntroduceerd en op de auto's prijken nieuwe nummerplaten.

Somalilanders praten gelaten over de nieuwe gevechten. “Jullie in het buitenland denken dat wij, rijdend op kamelen, voortdurend clangevechten voeren”, schertst een zakenman. En Ahmed Abdi, voorzitter van het nationale parlement, zegt: “Dit is geen oorlog tussen clans, dit is een strijd tussen slechts één clan en de regering, tussen de Haber Yunis en de overheid.” President Egal gebruikt soortgelijke woorden. “Het is geen clanoorlog”, betoogt hij. “Het betreft een kleine clan die rebelleert tegen de natie. Langzaam en op humane wijze maken we een einde aan de opstand.” Hij besluit trots: “Twee jaar geleden was Somaliland een verzameling clans, tegenwoordig vormen we een natie.”

De Haber Yunis die bij Burao tegen de regering vecht, is één van de grootste sub-sub-clans van de Isaq en vervult historisch een invloedrijke rol in het politieke steekspel van Somaliland. De Haber Yunis vormen samen met de Idagale een subclan.

Politiek opportunisme en de clanaffiliatie van Haber Yunis en Idagale leidden tot de nieuwe strijd. De militie van de Idagale controleerde na 1991 de luchthaven van Hargeisa en streek duizenden dollars op van passagiers voor hun clanleden. Maar ook de regering wilde die inkomsten. “Bijna een jaar hebben we de militie gesmeekt zich over te geven”, zegt Egal. De wijze oudsten van de Idagale konden de militieleden van hun clan niet overreden de wapens in te leveren. Zij gaven de regering toestemming om in actie te komen maar toen gevechten uitbraken ging de clanverbintenis onmiddellijk weer een hoofdrol spelen. Alle Idagale-bewoners van Hargeisa trokken met de militieleden de stad uit, evenals talrijke Idagale-militairen uit het nationale leger.

Mohamed Baruut Ali is minister van rehabilitatie en een Idagale. Hij vormt een uitzondering: hij besloot niet met zijn clan de stad te ontvluchten en bleef in de regering. “Het gevaarlijke van het Somalische clansysteem is dat de clanverbintenis irrationeel is”, zegt hij. “Het is een emotionele zaak die ieder denken uitschakelt.”

Het traditionele systeem van wijze oudsten waaraan Somaliland zijn relatieve stabiliteit te danken heeft, schoot dit keer tekort. “De clanoudsten verloren door de oorlogen veel invloed”, vervolgt minister Baruut. “Het succes van de conferentie in Boroma in 1993 was een overwinning voor het traditionele clansysteem. Maar de gevechten in Hargeisa tonen nu dat het gezag van de oudsten niet meer voldoet, dat we niet meer exclusief op onze tradities kunnen terugvallen.” Waarna hij somber besluit: “De toekomst van Somaliland is weinig hoopgevend.”

Nadat de Idagales uit Hargeisa waren verdreven, braken gevechten uit met de verwante Haber Yunis in Burao. Deze stad van oorspronkelijk 200.000 inwoners ligt er nu geheel verlaten bij. Regeringssoldaten met aan hen verbonden militieleden enerzijds en de Haber Yunis aan de andere kant zullen, zo is de algehele verwachting, binnenkort de eindstrijd uitvechten. “Praten doen we niet meer, wapens zullen de uitkomst bepalen”, voorspelt de opperbevelhebber van de regeringstroepen bij Burao.

De minister van onderwijs, Sulaman Mohamed Adan, coördineert het offensief tegen de Haber Yunis. “De Soedanese regering, de krijgsheer generaal Aideed in Mogadishu en ex-president Abdulrachman Tur zitten achter deze opstand”, beschuldigt hij. Abdulrachman Tur was president van Somaliland tussen 1991 en 1993. UNISOM, de troepenmacht van de Verenigde Naties die in februari Mogadishu verliet, hielp Abdulrachman Tur een handje. “UNISOM gaf hem 200.000 dollar en bracht hem in contact met Aideed in Mogadishu”, vertelt een goedingelichte bron die bij UNISOM werkte. “Tur was bitter over de verkiezing van Egal in Boroma en Aideed verzet zich tegen een onafhankelijk Somaliland. Beide heren sloten een overeenkomst. Plotseling keerde Tur zich tegen de onafhankelijkeid, die hij zelf als president had uitgeroepen. Het is een komplot van UNISOM om de onafhankelijkheid van Somaliland te ondermijnen.”

President Egal hekelt UNISOM in onbedekte termen. “UNISOM heeft meer kwaad dan goed gedaan voor Somalië”, begint hij zijn tirade. “UNISOM was de kwade genius achter alle problemen die in Somaliland werden gecreëerd. UNISOM heeft de vrede en stabiliteit van Somaliland vernietigd.”

Geen goed woord heeft de president voor zijn gewapende oppositie. “Generaal Aideed is een krankzinnige”, zegt hij woedend. “Te vuur en te zwaard zullen we hem bestrijden als hij de wapens opneemt tegen Somaliland. Tur was al met pensioen in Engeland toen UNISOM hem terughaalde. Aideed en Tur doen iets duivels.” Een algemene indruk onder de bewoners in Somaliland is dat Tur tribale gevoelens binnen zijn Haber Yunis-clan aanwakkerde om weer aan de macht te komen. Alle andere clans hebben daarom de rijen gesloten achter Egal.

Maar ook Egal gaat niet vrijuit. Zijn critici noemen hem explosief en de gewapende oppositie ziet hem als een dictator en zelfs een alcoholist, een niet mis te verstane aantijging in een islamitisch land. “Hij ontbrandt snel in woede”, vertelt een van zijn ministers. “Voor Somaliërs kunnen woorden pijnlijker vallen dan kogels. Een groot deel van de huidige problemen zijn aan hem te danken. Hij had langduriger met de milities moeten onderhandelen alvorens hij hun de oorlog verklaarde. Hoe sneller we van Egal af zijn, hoe beter voor Somaliland. Maar door de nieuwe oorlog hebben bijna alle clans zich achter hem verenigd. Voor zijn politieke positie blijkt oorlog helaas beter dat vrede.”

Is de president een alcoholist? “Het is heel lang geleden dat ik whisky dronk”, antwoordt Egal, “maar ik neem wel eens een glaasje wijn.” Dan verstrakt zijn gezicht en spuugt hij de woorden als kogels uit: “Ik ga de oppositie bestrijden met dictatuur, met geweren, met woorden, met alles wat tot mijn beschikking staat.”

Egal is een moderne politicus, die als premier van Somalië al in de jaren zestig de wereld rondreisde. Hij maakt nu de indruk een bitter man te zijn. Hij raakte teleurgesteld in de buitenwereld die onvoldoende hulp verleende en zijn land niet wil erkennen. Hij is ontevreden over imcompetente en corrupte ministers. Hij maakte een foute inschatting van zijn volk, dat zich nog geen natie voelt en steeds weer terugvalt op het oerinstinct van de verbintenis met de eigen clan. “Egal is in de laatste anderhalf jaar van een duif in een havik veranderd”, vertelt een van zijn naaste medewerkers.

Had het anders gekund? Op troosteloze puinhopen valt het moeilijk aan stabiliteit te werken zonder een rappe economische ontwikkeling. Tussen een vrije en een werkdag bestaat in Somaliland weinig verschil, op beide dagen werkt niemand. Vrijwel de totale stadsbevolking is werkloos. De beloften aan de gedemobiliseerde militieleden dat zij zouden worden herschoold, kan de regering bij gebrek aan financiële middelen niet nakomen.

Clanoorlogen onder Somaliërs kenmerken zich door grootschalige plunderingen. Daardoor leven de mensen in lege huizen. Een koffer, en heel misschien staat er een kast. Op de grootste krant van Hargeisa, de Codka, draaien de journalisten met de hand de 1.500 exemplaren op een stencilmachine. Ze beschikken over één schrijfmachine. Tot voor kort moesten ministers met hun personeel samen in één kamer werken. Inmiddels hebben zij op hun ministeries ieder een eigen optrekje, mèt een boekenkast, maar zonder boeken. Egal: “Als er meer hulp was gekomen, dan was Somaliland een efficiënt land geweest en dat had een positief effect gehad op Somalië.”

Als een dodelijk virus lopen bij Somaliërs politieke machtsstrijd en clancompetitie dwars door elkaar heen totdat, in het laatste stadium, zelfvernietiging optreedt. Somalië desintegreert in kleine clanrepubliekjes waar stabiliteit is gebaseerd op clanterreur. De wijze oudsten zijn gijzelaars of medeplichtigen geworden van de krijgsheren. In afwezigheid van moderne staatsstructuren behoren democratie en bescherming van de mensenrechten er tot een andere wereld.

Egal heeft in Somaliland die ontwikkeling weten tegen te gaan. Hij handhaafde na de gevechten in Hargeisa en Burao zijn regering op brede clanbasis en ministers van de Haber Yunis en de Idagale liepen niet weg. Beide Kamers van het parlement verlengden onlangs zijn mandaat met anderhalf jaar. Somaliland heeft misschien nog een toekomst, als de politici in hun machtsspel niet weer terugvallen op hun clanverbintenis.