Sjonnie zit al jaren in het geweld

Wij, gewone burgers, dromen misschien van een lot uit de loterij of een mooie vakantie, boeven hebben hun eigen dagdromen. En niet alleen eigen dagdromen, ook eigen mythes, gewoonten en taal. In vijf afleveringen praten mensen uit het milieu over wat hen zoal bezighoudt.

Criminelen hebben de neiging alles om hen heen te duiden in termen van complotten. Het verhaal over de politie die criminelen ript valt daaronder. Problemen in het criminele milieu worden zelden in een gemoedelijke sfeer en met een welwillend oor uitgepraat. Een eerste reflex van een crimineel is: geweld.

Bolle Arie kan aardig en charmant zijn. Hij kan tenminste de indruk wekken dat hij aardig is. Bolle Arie is, naar eigen zeggen, ooit veroordeeld geweest voor oplichting. Nu zegt hij dat hij in de handel zit. Wanneer hij denkt dat iemand hem een loer draait verandert zijn bonhomie. “Jansen weet dat ik hém nooit iets zal doen. Maar hij weet ook dat ik het adres van zijn moeder heb. Begrijp je wel, HEM zal ik niks doen!,” zegt hij.

Er wordt ook daadwerkelijk geweld toegepast op de naasten van mensen die door criminelen onder druk moeten worden gezet.

“Gaan er vijf een lift in”, zegt een bewaarder, “komen er vier uit lopen. Hebben ze een jongen echt total loss geslagen. Dat bleek de zoon van een bekende drugshandelaar te zijn. Iedereen ontkent uiteraard ook maar een vinger naar die jongen te hebben uitgestoken. Die jongen zelf zegt niet te weten wie hem heeft afgetuigd. Bullshit natuurlijk, maar reken maar dat zijn pa betaalt.”

Geweld wordt niet alleen als dreiging tegen derden zonder schroom toegepast. Geweld dient in het milieu als straf of ter afschrikking en vormt een dankbaar onderwerp van gesprek.

Een drugssmokkelaar vertelt dat hij wel eens een vracht heeft gereden voor Slome Tonnie. Over zijn eertijdse opdrachtgever zegt hij met ontzag: “Slome Tonnie heeft een keer een jongen voor de ogen van zijn mensen met een hamer doodgeslagen. Die jongen had zijn mond voorbij gepraat. 's Nachts hebben ze zijn lijk bij een lantaarnpaal gelegd met een brommer ernaast zodat het op een verkeersongeluk leek.” Een politieman zegt met enig ontzag over Slome Tonnie: “Die kan een hoop geweld op de rails zetten.”

Over geweld wordt niet alleen in termen van ontzag gesproken. Sommige geweldsverhalen van criminelen beogen vooral de toehoorders te vermaken.

De kleine, blonde boef in het Aziatische visrestaurant wordt verdacht van grootschalige drugshandel en moord, maar voor die zaken heeft hij nog nooit gezeten. De kolf van een pistool glipt tussen zijn jas uit wanneer hij zich samenzweerderig naar voren buigt.

“Ken je Pillen Sjonnie? Dat is geen kleine jongen toch? Hij zit nu al jaren in het geweld. (Mensen die afpersen, incasseren, rippen, beschermen e.d. zitten in het geweld) Weet je wat ze deden toen hij begon? Moest hij geld ophalen bij Blonde Tinus. Blonde Tinus was de schrik van de onderwereld, die ripte echt iedereen. Wist Sjonnie veel. Komt Sjonnie bij Blonde Tinus op zijn bovenwoninkje, zegt hij: Ik kom het geld halen voor mijn baas. Boem, was hij zo weer beneden, had Blonde Tinus hem zijn been gebroken en de trap af gegooid.” Anekdote gevolgd door bulderend gelach en volgende anekdote.

“Sjonnie is later helemaal maf geworden. Reed hij in een auto van Dikke Bertje, werd hij op de ringweg door iemand ingehaald. Kon hij niet tegen. Waarschijnlijk had hij weer een witte neus. (Cocaïne gesnoven) Heeft hij zijn magnum op die auto leeggeschoten. Niemand geraakt trouwens. Heeft die gek nog voor gezeten ook.”

Ook de oudere boef die in zijn cocaïnepandje crack snuift kent Pillen Sjonnie. Volgens hem is Sjonnie 'maf' maar kon je ook met hem lachen. “Zijn moeder woont aan de dijk. Loopt hij daar op een avond, komt iemand in een Fiatje hem achterop rijden. Die man toetert want Sjonnie loopt midden op de weg. Sjonnie blijft op de weg lopen en de automobilist blijft toeteren. Wordt Sjonnie in enen zo kwaad dat hij tegen die auto begint te schoppen, op het dak springt en daarop gaat stampen. Uiteindelijk gooit hij die auto van de dijk. Sjonnie witheet naar moeders toe. Zit hij koud vijf minuten binnen, gaat de bel. Staat dat mannetje van die Fiat buiten.

'Ja meneer hoor eens dat gaat zomaar niet, ik heb behoorlijk schade geleden.' Dat vindt Sjonnie dan ook weer mooi, dat zo'n mannetje niet bang van hem is. Heeft hij gewoon alles betaald.''