Mustafa Stitou: Ik wantrouw mezelf

Mustafa Stitou: Mijn vormen. Uitg. Arena. 47 blz. Prijs: ƒ 27,90.

Thuis werd alleen Marokkaans gesproken. Maar Mustafa Stitou (Tetouan, 1974), die vorig jaar debuteerde met de dichtbundel Mijn vormen, beschouwt het Nederlands als zijn moedertaal. Zijn kennis van het Arabisch is beperkt en is in de loop van de tijd ook wat verwaterd. Hij denkt en dicht in het Nederlands.

Hij is te jong, vindt hij zelf, om veel weet te kunnen hebben van de Nederlandse poëzie. Echte voorbeelden heeft hij niet. Wel laat hij zich graag inspireren door losse gedichten, zoals 'Typiste' van Achterberg. Of 'Huis van ervaring' van Rob Schouten, dat hij zo superieur vond dat hij een tijdlang dacht dat elk gedicht daarop moest lijken. Hij bladert liever in dichtbundels dan hele oeuvres tot zich te nemen. “Ik ben bang dat ik me er niet meer van los kan maken, vooral ook omdat ik nog geen eigen stijl heb.”

Stitou's gedichten wekken de indruk alsof ze uit de losse pols geschreven zijn, maar in de praktijk gaat het hem niet zo gemakkelijk af. Gemiddeld drie nachten per week offert hij aan zijn dichterschap. “Ik ben een grote ploeteraar. Als ik eenmaal een idee voor een gedicht in mijn hoofd heb, laat het me niet meer los.” Vooral het vinden van de juiste toon kost hem vaak de grootste moeite. Hij noemt zichzelf een dichter van het verstand, niet van het gevoel. “Het interessantst zijn voor mij de gedichten die ontstaan vanuit bepaalde woorden. Die gedichten schrijven zich als het ware zelf. Ik zie het als een taalspel, dat overigens heel oprecht begint. Ik kan werkelijk ontroerd zijn door de schoonheid van een woord.” Er zijn ook woorden die niet door zijn beugel kunnen. Grote woorden als 'existentie' of 'metafysica' bijvoorbeeld, of versleten poëtische woorden als 'wolk', 'vlinder', 'vogel' of 'lucht'. “Intuïtief voel je dat dergelijke woorden niet in een gedicht kunnen. Als ik een gedicht van Kopland lees waar een wolk in voorkomt, dan ben ik verbaasd dat zo'n grote dichter niet inziet dat dat niet kan.”

Stitou had niet al als kind de ambitie om dichter te worden. “Wel heb ik altijd het gevoel gehad dat ik niet iets nuttigs zou gaan doen, zoals 'normale' mensen. Mijn wezen is talig. Ik denk voortdurend in uitspraken. Ik verdenk mezelf er ook van dat ik geen herinneringen heb, maar alleen uitspraken erover.”

“Er zit iets leugenachtigs in het maken van gedichten. Eigenlijk wantrouw ik poëzie en kunst in het algemeen. Het is niet echt. Ik wantrouw ook mezelf, alsof ik niet echt leef, alleen maar in taal.”

“Maar wat is echt? Ik heb daar wel een vermoeden van. Echt is bijvoorbeeld dat elk mens wordt geboren en ook weer doodgaat. Ik ben een absolute relativist. Ik weet dat er geen God is, maar mijn ideeën over de wereld zijn niet meer waard dan die van mijn moeder die daar wel in gelooft. Hoewel ik zeker weet dat de dingen die zij gelooft onjuist zijn, is het niet zo dat ik fundamenteel meer weet dan zij.”

“Ik kan nu alleen maar dingen belichten, namen laten vallen, iets suggereren, maar dat stelt natuurlijk niets voor. Ik kan het nog niet uitdrukken. Dat moet langzaam ontstaan. Als ik tien dichtbundels geschreven heb, dan hoop ik dat daar mijn idee over de werkelijkheid in terug te vinden is.”