Methode voor bepalen van geslacht kind zeer omstreden

ROTTERDAM, 16 JUNI. Het Utrechtse Genderbehandelcentrum wil bij ouderparen de kans op een kind van een gewenst geslacht vergroten door zaadcellen te selecteren volgens de methode van de Amerikaan R.J. Ericsson. Ericsson ontwikkelde in de jaren zeventig een methode om zaadcellen met een Y-chromosoom te scheiden van X-bevattende zaadcellen. Vrouwelijke eicellen bevatten altijd één X-chromosoom; na bevruchting met een Y-zaadcel ontstaat een zoon en bij combinatie met een X-zaadcel een dochter.

Ericsson ging uit van het feit dat het Y-chromosoom kleiner en daardoor drie procent lichter is dan het X-chromosoom. Een hele zaadcel met een Y-chromosoom is daardoor nog enkele tienden procenten lichter dan een X-zaadcel. Als scheidingsmethode gebruikte hij een natuurlijke eigenschap van een zaadcel: zijn zwemvermogen. Iedere zaadcel begint na de ejaculatie een zwemtocht door vagina- en baarmoederslijnmvlies richting eileider, waar een paar dagen per maand een rijpe eicel op bevruchting wacht.

Ericsson nam aan dat lichte zaadcellen sneller zwemmen dan zware eicellen. Dus dat de Y-zaadcellen gemiddeld eerder bij een eicel arriveren dan X-zaadcellen. Dat kan waar zijn, want in de praktijk worden er vijf tot zes procent meer jongens dan meisjes geboren. Het overschot aan jongens verdwijnt na twintig jaar omdat jongens vaker erfelijke ziekten hebben en vaker verongelukken.

Ericsson publiceerde in 1973 in het beroemde Engelse wetenschappelijk tijdschrift Naturen zijn methode waarbij hij de zaadcellen in een kolommetjes met een oplossing van runder serumalbumine liet zwemmen. Ericsson meldde dat zijn snelzwemmende zaadcelfractie 85 procent Y-zaadcellen bevatte. De scheiding op X-zaadcellen in de langzaamzwemmende fractie was wat slechter. Ericsson ging echter in de fout door Y- van X-zaadcellen te onderscheiden met een spoedig omstreden kleurreactie op zaadcellen, waarvan in de jaren zeventig werd gedacht dat er Y- en X-zaadcellen mee kunnen worden onderscheiden. In 1987 toonden twee Japanse onderzoekers definitef aan dat de kleurreactie niet deugt.

In 1986 liet de Amerikaanse onderzoekster Brigitte Brandriff het zaad van zes mannen door Ericsson of zijn mederwerkers scheiden in fracties die meer Y-zaadcellen moesten bevatten. Bij analyse bleken er echter meer X-zaadcellen dan Y-zaadcellen in te zitten. Ericsson zelf heeft nooit betrouwbare resultaten gepubliceerd.

Volgens C. Jansen, gynaecoloog aan het Diaconessenziekenhuis in Voorburg en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor In Vitro Fertilisatie zijn alle vakgenoten het er over eens dat de methode van Ericson “waarschijnlijk hum bug” is. Maar Ericsson heeft commercieel gezien nog steeds succes. In de VS werken momenteel naar schatting vijftig klinieken met zijn methode.

Jansen verklaart dat succes met: “Als er honderd mensen komen die een zoon willen, krijgen ruim vijftig daarvan al een zoon langs natuurlijke weg. Die ouders denken dat ze hun zoon aan Ericssons techniek danken. Van de mensen die met een dochter thuiskomen houden de meesten beschaamd hun mond. Er zijn dus altijd meer voor- dan tegenstanders.”

Jansen velt geen moreel oordeel over mensen die het geslacht van hun kind zelf willen bepalen. Hij wil echter echtparen waar een X-chromosoom gebonden ziekten in de familie voorkomt op het hart binden niet op de methode te vertrouwen. Jansen: “Die mensen zien soms van kinderen af als ze bezwaar hebben tegen abortus en beslist geen gehandicapt kind willen krijgen. Met de techniek-Ericsson blijft hun kans op een kind met de ziekte echter vrijwel even groot.”