Met de blik op oneindig; Het dichten als tweede natuur

Het schrijven van een gedicht lijkt soms veel op een tenniswedstrijd. Net als een tennisser bereidt een dichter zich geestelijk voor en bedenkt hij in bed hoe hij de volgende dag zal gaan spelen. Dichter Huub Beurskens over het ontstaan van een gedicht waarbij de meeste ballen nauwelijks te missen waren. “Wat Navratilova in haar boek vertelt over haar nachtelijke, sublieme voorstellingen van de aanstaande partij, ken ik op het gebied van de poëzie ook.”

Dit is een bekorte versie van de lezing die Huub Beurskens op 14 juni uitsprak bij het in ontvangst nemen van de VSB-poëzieprijs.

Onlangs zat ik naar een rechtstreeks televisieverslag van de marathon van Rotterdam te kijken. Op een gegeven moment maakte de deskundige commentator over een van de lopers voorin de wedstrijd de opmerking dat je duidelijk kon zien dat deze nu wel als kansloos voor een ereplaats moest worden beschouwd, want hij begon naar zijn voeten te kijken.

Toen mijn vader me leerde fietsen op mijn eerste grote fiets en ik, de handvatten van het stuur krampachtig omknellend, zwabberend los naast hem reed, maakte hij de opmerking dat ik, in plaats van op mijn voorwiel en de weg onmiddellijk voor me te letten, van me af moest kijken. Ik herinner me dat ik die opmerking toen allereerst ervoer als een nogal overijlde aansporing tot acrobatische bravoure. Maar om hem niet weer eens de indruk te geven dat het me aan durf ontbrak, overwon ik mezelf, zoals dat heet, en nog steeds als ik de naam hoor of lees van de straat waar we toen fietsten, zie ik in eerste instantie het beeld voor me dat me toen gebeurde, een beeld van een ongekend diepe, ruimtelijke laan met reusachtige populieren. Dat moet daar dus een euforisch moment zijn geweest, de ervaring van de plotse vanzelfsprekendheid van het fietsen. Langer dan een moment heeft het ook niet geduurd, want meteen toen ik besefte wat me overkwam, kwam ik panisch, half vallend met mijn fiets tot stilstand.

Kennelijk bestaat iets als werktuigbeheersing, iets dus als vakmanschap uit het, althans tijdens het verrichten van beoogde handelingen, juist in het geheel niet gefixeerd zijn op de gehanteerde werktuigen. De vakmanpianist houdt, als het goed is, alles aangaande de door hem gespeelde muziek in de gaten behalve zijn vingers, waarop hij zich dagelijks met allerlei buig- en strekoefeningen concentreert. De tennisspeler kijkt naar de bewegingen van zijn voeten noch naar die van zijn met een tennisracket verlengde arm, maar naar de bewegingen van de bal in de ruimtelijkheid van zijn speelveld. Alle spelhandelingen moeten zo verlopen alsof ze tot je tweede natuur behoren, zegt Martina Navratilova terloops in haar Tennis my way, een handboek waarin ze alle nadruk legt op spieroefeningen en aandacht voor juist voetenwerk, houding, armbewegingen, technieken, effecten, racketsoorten enzovoorts. De marathonloper die op zijn voeten ging letten vroeg zich, waarschijnlijk zonder het zelf te weten, af waarom zijn tweede natuur niet meer bij hem, in zijn schoenen gebleven was.

In haar boek legt Martina Navratilova ook veel nadruk op het belang van het mentale voor de fysieke prestatie. Zonder het ene is het andere niet mogelijk. Dat betoogt ook de Franse filosoof-schrijver Alain keer op keer in zijn zogenaamde Propos, waarbij het dan vooral om als specifiek geestelijk beschouwde kwesties gaat. Zo zegt Alain in 1911 in een Propos dat hij een melancholicus slechts één raad kan geven: Denk niet aan jezelf, kijk in de verte. En deze raadgeving moet zo letterlijk mogelijk worden opgevat, want als je naar de sterren of naar de zee-einder kijkt, aldus Alain, is het oog helemaal ontspannen; en als het oog ontspannen is, is het hoofd vrijer en beweeg je je veel zekerder; tot in je ingewanden ontspant zich alles mee.

Als je het over poëzie wilt hebben kan dat bijna niet anders dan met behulp van vergelijkingen en zulke vergelijkingen gaan altijd een beetje mank, uit de aard der zaak, zou ik erbij willen zeggen. Toch zou ik, om te proberen een en ander te verduidelijken, de vergelijking tussen het schrijven van gedichten en met name de tennissport nog even willen doortrekken. In het boek van Navratilova kwam ik namelijk ook de volgende opmerkingen tegen: de noodzakelijke concentratie ontstaat op de oefenbaan, als je je groundstrokes aan het slaan bent, je reactievermogen test, enzovoort. Die training moet je, mentaal gezien, als een echte wedstrijd opvatten, waarbij je je op elke bal die je slaat moet concentreren.

Ik bereid me geestelijk evenzeer buiten de baan voor. De nacht vóór een moeilijke wedstrijd of een belangrijke finale lig ik in bed te denken hoe ik ga spelen en beleef ik al het gelukzalige gevoel dat je na een overwinning hebt. Soms word ik de volgende dag wakker met het idee dat de match al gespeeld is. Ik vind het buitengewoon verrassend dat iemand die in haar discipline toch in de eerste plaats wordt geconfronteerd met een tegenstander, hier beweert dat de eigenlijke wedstrijd, dus datgene wat wij als toeschouwers te zien krijgen, eigenlijk niet meer dan een al dan niet boeiend, lang en grondig voorbereid resultaat is! Dat lijkt me even een mooie metafoor voor hoe ik vaak het schrijven en het afleveren van gedichten ervaar.

Zoals in het tennisspel directe training en voorbereiding op een wedstrijd een onlosmakelijk geheel vormen met het eigenlijke spel, leiden de mentale voorbereiding op het gedicht en het uitproberen van diverse woordcombinaties, alliteraties en ritmes uiteindelijk tot de spanningen in het gedicht, dus tot het gedicht als spel dat door de dichter buiten de voor lezers toegankelijke pagina al spellend, herspellend, spelend en herspelend is voorbereid. Wat Navratilova vertelt over haar nachtelijke, sublieme voorstellingen van de aanstaande partij, ken ik op het gebied van de poëzie ook. Opeens, vaak in een soort geconcentreerde halfslaap, kan het gedicht zich al, in heel zijn ruimtelijkheid en draagwijdte, als zijnde compleet bij je melden. Als je er dan, bijvoorbeeld de volgende morgen, aan begint, betekent dat niet dat je het in de schoot geworpen krijgt, je zult er aan moeten werken om het concreet aan het licht te brengen. Eigenlijk weet je al hoe het gedicht gespeeld wil worden, alleen moet jij dat ook nog even kunnen doen.

Om dat goed te kunnen doen is niets fnuikender dan angst en fixatie, je moet van je af durven zien, je moet soms een heel, op zichzelf prachtig vers durven opofferen en dan weer ongekende perspectieven zien in iets dat zich voordoet als een smet of zich ophoudt in de periferie. Terwijl je weet dat het gedicht alleen kan bestaan dankzij de plaatsing van de woorden, moet je je met het grootst mogelijke vertrouwen en inspanningsplezier, paradoxaal niet richten op de woorden zelf maar op de ruimte, het vergezicht (in het letterlijk verre en weidse of in het nabije, dat wat Hopkins inscape noemde, het doet er niet toe), op het opene, het veld dat zich je ervanuit en ertussendoor aandient. Je moet erop vertrouwen dat woorden onderling veel meer weten dan dat jij kunt denken, zoals het racket van Navratilova op een gegeven moment meer van tennis weet dan Martina zelf. En soms moet je dagen-, misschien wel wekenlang werken om het gedicht tevoorschijn te halen.

De Duitse dichter Gottfried Benn vertelde ooit dat hij een bepaalde strofe twintig jaar had liggen voordat hij er de sluitende tweede strofe bij kon schrijven. Maar het kan ook wel gebeuren dat het je echt voor de wind gaat, dat je eigen concentratie bijna onmiddellijk de gedichtconcentratie volledig overlapt, dat spelen en spel samenvallen. Billy-Jean King heeft eens het volgende over haar spel gezegd: 'Er zijn ogenblikken dat ik een totale concentratie over me voel komen. (-) Je weet bij elke slag waar de bal naartoe gaat en hij lijkt duidelijk op een basketbal: net zo groot, dat je hem niet kunt missen, ook al zou je willen. Alles is perfect onder controle: ritme, bewegingen, loopwerk, slagen. Mijn concentratie is dan zo goed dat het lijkt alsof ik mezelf heb weten te verplaatsen van het rumoer rond de baan naar een plaats waar volkomen stilte en rust heersen.' Martina Navratilova merkt overigens over Billy-Jean King op dat er maar weinig spelers ooit zó intensief trainden.

Ik kan me voorstellen dat ik nu wel erg theoretisch begin over te komen. Vandaar dat ik even concreet wil terugkijken op het ontstaansproces van een van mijn gedichten, waarvan ik de meeste ballen als nauwelijks te missen ervoer.

Een aantal jaren geleden woonde ik op Poetry een lezing van de Franse dichter Eugène Guillevic bij. De man was toen, meen ik, vijfentachtig. Hij was slecht ter been, moest vaak hoesten, was dus ook slecht bij stem, bovendien kostte het hem moeite de woorden van zijn papier te lezen. Hij werd dan ook begeleid door zijn vrouw, die duidelijk heel wat jaren jonger was. Ik moet toegeven dat ik nauwelijks of niet met mijn gedachten bij de gedichten was die hij las. Ik hoorde alleen maar woorden. Veeleer was ik een beetje ontredderd door het beeld van de aftakeling waar ik daar onder de dekmantel van poëzieliefhebber ongegeneerd naar mocht zitten kijken. En ik keek daarbij uiteraard ook naar mijn eigen voorland.

Nadat Guillevic enkele korte gedichten had gelezen, volgde een langer gedicht voor twee stemmen: nu eens las de oude dichter zelf een aantal versregels, dan weer las zijn vrouw. Op een gegeven moment las Guillevic het woord humain, waarop zijn vrouw hem corrigeerde, zich met een glimlach half voor de dichter verontschuldigend tegenover het publiek: humus... Humus, verbeterde Guillevic zichzelf keurig. Maar het onheil was al geschied! De oude man had, tegen beter weten in, uit de ongenaakbaarheid van zijn aanstaande dood willen ontsnappen...

Nog diezelfde nacht had ik het idee dat zich een gedicht aan mij cadeau had gedaan. Wat ik er toen al van wist was dat het uit twee strofen zou bestaan. Wellicht lag dat voor de hand, het zou inhoudelijk immers draaien om de gedaanteverwisseling van humain tot humus, om het tot stof wederkeren van al het menselijke. Op zich was dat gegeven een gemeenplaats. Maar betekent poëzie niet altijd weer een tot leven wekken juist uit de stof van de meest nietszeggende gemeenplaatsen? En in dit geval waren de elementen van het persoonlijke en unieke concreet aanwezig, voor het grijpen. Dus besloot ik, toen ik de volgende dag aan het gedicht begon, allereerst te noteren wat ik toen daar en nergens anders had waargenomen, bondig en met in versbouw en enjambement zoveel mogelijk aandacht voor de eigenheid van de afzonderlijke fenomenen:

Ik hoorde het hoesten en gerochel

van een hoogbejaard Frans dichter

die zijn eigen woorden amper nog kon zien en

las: ... humain. Humus! corrigeerde zijn vrouw

die zichtbaar jonger was; ze nam haar leesbril

af en glimlachte naar het publiek. Humus...

verbeterde aldus de oude dichter zich.

Daar was ik niet ontevreden over; in de zakelijke stijl van de mededeling hielden zich voldoende poëtische ingrediënten op, zoals alliteraties en binnenrijmen en het gedoe met het zichtbaar zijn en zelf al dan niet kunnen zien. Maar hoe moest het nu verder? Ik bleef hangen op het laatste woord. En bijna vanzelfsprekend verscheen toen het vraagteken van hoe het verder moest achter dat laatste woord; de vraag naar hoe het verder moest werd dus integraal onderdeel van het gedicht. Wat een mededeling wilde zijn werd een vraag. Want wie of wat verbeterde de oude dichter eigenlijk? Zich? Nee, dat was hem juist niet gelukt! Wat dan? Zijn gedicht? Ik verplaatste dus de punt één woord naar voren. Tegelijkertijd onstond daardoor op die plaats iets lekker syncopisch:

(-) Humus...

verbeterde aldus de oude dichter. Zich? Zijn

gedicht?

Zodoende ging de konkrete beschrijving van de gebeurtenis over in reflectie. Daar was niets op tegen als het daar maar niet bij zou blijven, immers, een gedicht is geen stukje filosofie, tenzij men wil filosoferen; maar als men wil filosoferen moet men geen gedichten schrijven. Ik mocht dus nog wel eventjes verder reflecteren, maar dan moest er toch weer een omslag komen naar het concrete. En aangezien het gedicht uit twee strofen wilde gaan bestaan, zou de reflectiepassage met een witregel moeten worden opengebroken. Verder ging het dus:

Natuurlijk was het al te menselijke al geschied in het onbedoelde. Maar ook van het

verspreken leren wij kennelijk nog niet af te zien van

onszelf gedane, onhoudbare beloften, dacht ik toen.

Een passage die na wat omzettingen tot stand kwam. Eerst stond er bijvoorbeeld 'Natuurlijk was al het menselijke al geschied', maar in dat ritme klonk het tweemaal optreden van het woordje 'al' nogal vlak en melig. Bovendien bracht de nieuwe formulering het al te menselijke de schim van een diepe, duistere blik van een man met een zware snor en wenkbrauwborstels in het gedicht: een ongenode maar welkome gast... Dat de witregel tussen de twee strofen zou komen te liggen meteen na de eerste versregel van deze passage was ook vrij snel duidelijk, want die hechtte zich, alleen al door het gebruik van de voltooid verleden tijd, nog als vanzelf aan de beschrijving van de gebeurtenis.

Het behoort niet alleen tot de kunst van het poëzie-schrijven maar ook tot die van het poëzie-lezen het recht op letterlijkheid van de woorden te erkennen en te respecteren. De letterlijkheid van een woord als 'natuurlijk' wordt in onze schrijf- en omgangstaal nauwelijks nog gezien. Maar hier preludeerde juist dit woord ook op hoe het verder zou moeten met het gedicht: Natuurlijk was het al te menselijke al geschied. Na het humain, dus na de menselijke natuur, en na de reflectie, was het nu de beurt aan de vegetatieve natuur, aan de humus. Met andere woorden, het was zaak in enkele laatste versregels het gedicht als een soort vergezicht te openen, heel letterlijk én natuurlijk terecht te komen van de volle voordrachtszaal in een stil bos. Maar hoe zonder te forceren? Hangend op het laatst genoteerde woord, toen, besloot ik het tegenovergestelde te doen van wat ik deed toen ik in de eerste strofe bleef hangen. Ik haalde de punt weg om de zin te kunnen laten doorlopen. En met dat doorlopen van de zin wilde ik ook de oude dichter de zaal uit laten lopen, er half op hopend en half op vertrouwend dat zich opnieuw in het concrete een oplossing zou aandienen. Ik zag weer het beeld voor me van hoe de bejaarde dichter het podium verliet, onder klaterend applaus. En, verdomme, met het bijvoeglijke naamwoord klaterend kwam meteen ook al water, kwamen regen en zelfs al herfst het gedicht binnen! Waar haalde ik nu de vallende bladeren en de kaal wordende takken vandaan? En opeens zag ik toen ook wat ik tot dan toe niet had geweten dat ik had gezien, maar dat volkomen natuurlijk de kringloop voor me sloot: Guillevic liep met een stok! En alles waaide me nu gewoon maar aan:

(-) dacht ik toen hij onder klaterend applaus de zaal uit ging steunend op een tot stok bewerkte tak die in elk najaar, met of zonder regen, ooit gewoon elk blad los en in een bos dood vallen liet.

Daarmee had zich ook de titel al aangediend, iets tussen het vallen en de humus in: Dode bladeren. Het hele gedicht nog eens hernemend kwam ik tot de conclusie dat alleen de eerste versregel nog niet voldeed, zowel in ritmisch als inhoudelijk opzicht; het humus worden van het humane zou al tussen de eerste woorden moeten kunnen meespelen. Ik maakte de bijverschijnselen, het hoesten en het gerochel tot hoofdrolspelers, en ik denk dat de klanken in de volgende versregels me grotendeels dirigeerden in welke woorden ik daarvoor te gebruiken had, want ik kreeg ook nog een eindrijm cadeau:

Dode bladeren

Ik hoorde het hoesten en gerochel zich

bedienen van een hoogbejaard vermaard Frans dichter die zijn eigen woorden amper nog kon zien en las: ... humain. Humus! corrigeerde zijn vrouw die zichtbaar jonger was; ze nam haar leesbril af en glimlachte naar het publiek. Humus... verbeterde aldus de oude dichter. Zich? Zijn gedicht? Natuurlijk was het al te menselijke al geschied

in het onbedoelde. Maar ook van het

verspreken leren wij kennelijk nog niet af te zien van

onszelf gedane, onhoudbare beloften, dacht ik toen hij onder klaterend applaus de zaal uit ging steunend op een tot stok bewerkte tak die in elk najaar, met of zonder regen, ooit gewoon elk blad los en in een bos dood vallen liet.

Ik houd van dit gedicht. Puur privé wegens de herinnering aan de Billy-Jean King-sensatie tijdens het schrijven, wegens de ballen die op basketballen leken zodat ik ze niet kon missen, ook al had ik dat gewild. Eveneens privé wegens het gevoel dat hier het jaren-en-jarenlange intensieve en vaak moeizame geschrijf even vanzelfsprekendheid, een tweede natuur, was geworden. Maar verder ook omdat het uiteindelijke gedicht, zoals u en ik dat telkens weer kunnen lezen, een fraaie partij om te volgen is gebleven.