Marc Kregting: Mijn gedichten zijn de democratie zelve

Marc Kregting: De gezel. Uitg. Perdu. 40 blz. Prijs: ƒ 19,90.

“Voor De gezel heb ik het nodige verbrijzeld”, antwoordt de dichter Marc Kregting (1965) op de vraag hoe zijn debuut, dat vorig jaar verscheen, tot stand kwam. Jaren van wikken en wegen gingen eraan vooraf. De laatst overgebleven woorden moesten het met elkaar uitvechten, in sessies van een paar uur. Daarbij moet het woord sessies muzikaal worden opgevat. “Idealiter had het moeten gaan als John Coltrane met zijn 'Naïma' ondervond. De definitieve versie ervan voorzag hij van het commentaar: 'I can't go any further'.”

“Ik vrees dat dit halfzacht kan klinken of de indruk kan wekken van geestdronkenschap. Dat ik mezelf, en niet eens bij wijze van spreken, heb laten vollopen.” Maar dat is niet zo. De dichter dronk alleen bitter lemon en tonic. Bij het gevecht tussen de woorden was hij op een welhaast leeghoofdige manier aanwezig. “Ik heb geprobeerd alles wat ik aan wetenschap, mening en ervaring had, overboord te gooien. Een cliché van jewelste: ik heb geprobeerd helemaal opnieuw te beginnen.

“Als mens van vlees en bloed en botten tel ik niet mee in De gezel. Het is misschien erg triviaal, maar ik heb ontdekt dat ik geen 'radertje in een groter geheel' ben.” Met die ontdekking heeft het dichten voor hem pas waarde gekregen. “Misbaarheid vind ik een bijzonder troostvol inzicht.”

Het meest persoonlijke aan zijn bundel acht Kregting de klank en het ritme. Als maker staat hij er, naar zijn overtuiging, net zo ver vanaf als de gemiddelde lezer. Dat is ook de reden waarom hij er niet uit voor kan lezen. “Of misschien moet ik het zo uitdrukken: deze poëzie staat mij niet toe haar voor te lezen. Dat is rijkelijk dramatisch, maar ik ben bang dat ik daar weinig aan kan verhelpen.”

Hoe onpersoonlijk zijn poëzie ook mag zijn, van beïnvloeding of verwantschap wil Kregting niet veel weten. Op de suggestie dat zijn gedichten hier en daar doen denken aan die van Ouwens, Anker, Kuijper en Beurskens, gaat hij niet in. Hij is er huiverig voor om als debutant ingelijfd te worden en door een traditie als het ware te worden platgedrukt. “Ik vermoed dat namen, van dichters of stromingen, je als maker kunnen schaden. Door te noemen veranker je jezelf.”

Zoals hij zich als dichter tegen inlijving verzet, zo geven ook zijn geesteskinderen hun bedoeling en betekenis niet graag prijs. “Ik ben zelf de eerste om te erkennen dat deze gedichten geen liflafjes zijn. Ze nodigen niet uit om met een haastig gelakte pink van te proeven, al is het nooit te vermijden dat gastronomen aan één hap genoeg hebben. Het lijkt mij een kwestie van afblijven ofwel de hele kolerezooi oplepelen.”

“Dit alles lijkt knap onverbiddelijk, maar in werkelijkheid zijn mijn gedichten, als ik me niet vergis, de democratie zelve. Waar ik moeite mee heb, is het toesteken van een helpende hand. Het zou aanmatigend zijn te veronderstellen dat de dichter uitmaakt of en hoe er samenhang tussen woorden gerealiseerd wordt. Spreek tien keer achter elkaar het woord coherent uit, en je weet waarom.”